Chaco Chachalaca

Ortalis canicollis

Log in om deze soort toe te voegen

De Chaco Chachalaca (synoniem: Gewone chachalaca) behoort tot het geslacht Ortalis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze vogel komt voor in het zuidwesten van Brazilië, oostelijk Bolivia, westelijk Paraguay en noordelijk Argentinië, vooral in droge en semi-deciduous bossen zoals het Chaco-gebied. Hij leeft vaak in groepen tot dertig exemplaren en heeft een frugivoor dieet, bestaande uit bladeren, vruchten en bloemen. De soort speelt een belangrijke rol in zaadverspreiding en is vocaal actief tijdens zonsopgang en aan het eind van de middag.

Chaco Chachalaca
Chaco Chachalaca
Chacoguan
Ortalide du Chaco

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Ortalis

Ringmaat

Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hokkos en Goeans zijn middelgrote tot grote boshoenders uit Midden- en Zuid-Amerika. Ze leven in dichte bebossing en voeden zich met vruchten, bladeren en kleine ongewervelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, groen ingerichte verblijven met hoge rustplaatsen en een warm, vochtig klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf met begroeiing en open zones (40–60 m² per koppel); hoge zitstokken of boomstammen aanwezig; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
  • Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 20–28 °C; bij < 10 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; beschutting tegen regen en tocht noodzakelijk.
  • Sociaal: te houden in paren of familiegroepen; tijdens broedperiode territoriaal – bij voorkeur per koppel afzonderlijk; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
  • Voeding: fruit, bessen, zaden, jonge bladeren en insecten; aanvullen met universeelvoer of zachtvoer; dagelijks vers drinkwater en afwisseling in voer belangrijk.
  • Overig: nestgelegenheid op hoogte in struiken of takvorken; dagelijkse reiniging en controle van water en voer; ruime, groene inrichting voorkomt stress.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een middelgrote cracide van circa 50-58 cm lengte, slank gebouwd met een lange, brede staart. Het verenkleed is overwegend bruin tot olijfbruin. De kruin, nek en borst zijn grijzer getint, waarbij de nek een duidelijke, asgrijze zweem toont (kenmerkend voor de soort). De buik en onderstaartdekveren zijn lichter bruin tot beige. De staart is donkerbruin met lichtere uiteinden aan de buitenste staartpennen. De keel draagt een kale, roodachtige huidvlek (keelwam), die variabel in omvang is. De snavel is zwartachtig, de iris donkerbruin, en de poten grijs tot loodkleurig.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en deelt de grijze nek en de roodachtige keelwam. Ze is gemiddeld iets kleiner en de kleuren kunnen valer zijn, vooral op de borst en buik. De keelwam is doorgaans minder groot en minder intens rood.

Juveniel:
Juvenielen hebben een valer en uniformer bruin verenkleed en missen de uitgesproken grijze nek. De keelwam ontbreekt of is slechts vaag ontwikkeld. De rug en vleugeldekveren vertonen bredere, lichtere randen waardoor een geschubd effect ontstaat. De snavel is donkergrijs, de iris bruin en de poten vleeskleurig tot grijzig.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders en bedekt met geelachtig dons voorzien van donkere vlekken en strepen, die camouflage bieden op de bosbodem en in struikgewas. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. De grijze nek en de keelwam ontwikkelen zich pas in latere levensstadia.