Clappertons frankolijn

Pternistis clappertoni

Log in om deze soort toe te voegen

De Clappertons frankolijn behoort tot het geslacht Pternistis binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Clappertons frankolijn is een vogel uit de familie fazantachtigen. Deze soort komt voor in het midden en noordoosten van Afrika, met name in landen zoals Kameroen, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Tsjaad, Eritrea, Ethiopi�, Mali, Mauritani�, Niger, Nigeria, Soedan en Oeganda. Het is een standvogel die voornamelijk op de grond leeft en een varied dieet heeft. Clappertons frankolijn nestelt op de grond en legt eieren, waarbij de jongen vanaf het uitkomen relatief zelfstandig zijn.

Clappertons frankolijn
Clapperton's Francolin
Clappertonfrankolin
Francolin de Clapperton

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Pternistis

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote frankolijn van circa 33�36 cm lengte. Het verenkleed is rijk kastanjebruin tot donkerbruin, sterk geschubd door lichte centra en donkere randen van de veren. De kop is grijsbruin met een vaag afgetekende lichte wenkbrauwstreep, terwijl de keel vuilwit tot lichtgrijs is en vaak wordt omlijst door een onregelmatige donkere band. De borst is donkerbruin met fijne lichte schubtekening, de buik is lichter bruin tot beige met meer uniforme tint. De flanken zijn breed geschubd in kastanjebruin, zwart en beige. De vleugels zijn afgerond, bruin met donkere bandering, en de staart kort en donkerbruin. De snavel is stevig, roodachtig tot oranje, de poten zijn rood en voorzien van een enkele spoor, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is gemiddeld iets kleiner en doffer gekleurd. De schubtekening is fijner en minder contrastrijk, de keel minder helder wit en de borst egaler bruin. De snavel en poten zijn gelijk aan die van het mannetje, maar de poten zijn slanker en missen vaak de goed ontwikkelde spoor. De iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen hebben een egaler bruin verenkleed met slechts zwak ontwikkelde schubtekening. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met onduidelijke donkere stippen, de kop is uniformer bruin zonder duidelijke wenkbrauwstreep. De snavel is grijsbruin, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Naarmate ze ouder worden, verschijnt de kenmerkende geschubde tekening van rug, borst en flanken.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons en brede donkere lengtestrepen over rug en kop, wat een uitstekend camouflagepatroon vormt. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kastanjebruine en geschubde verenkleed ontwikkelt zich pas na de eerste rui.