Vogel
Dwergstern
Dwergstern
Sternula albifrons
Log in om deze soort toe te voegenDe Dwergstern behoort tot het geslacht Sternula binnen de familie van Sterns (Laridae).
De kleine stern is een klein zeevogeltje dat vooral langs kusten en op zand- en grindbanken broedt, maar ook in het binnenland op rivieroevers te vinden is. De soort komt voor in Europa, Noord-Afrika en delen van Azi� en is sterk migrerend, met een winterverblijf in subtropische en tropische gebieden. Het voedt zich voornamelijk met kleine visjes en ongewervelden, die het oppikt vanuit het water. De kleine stern is sociaal en broedt vaak in kolonies, waarbij het nest wordt gemaakt in een ondiepe kuil in het zand. Door menselijke activiteiten en habitatverlies is de soort kwetsbaar geworden en staat onder bescherming.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Meeuwen (Laridae)
- Bird Genus
- Sternula
Ringmaat
Man 3.2 mm Vrouw 3.2 mmWelzijnsadviezen
Sterns
Sterns zijn elegante zee- en kustvogels die leven langs kusten, meren en rivieren. Ze foerageren voornamelijk op vis en broeden in kolonies op open zand- of grindvlaktes. In de avicultuur vragen Sterns om ruime verblijven met open water, overzichtelijke broedplaatsen en rustige omstandigheden. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met waterpartij en open landzone (60–80 m² per koppel); waterdiepte 40–80 cm; kale zand- of grindbodem; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: gematigd tot tropisch; temperatuur 5–25 °C; tropische soorten bij < 15 °C verwarmd binnenhok; bescherming tegen wind en regen.
- Sociaal: kolonievogels; groepshuisvesting aanbevolen; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte per nest noodzakelijk.
- Voeding: kleine vissoorten en garnalen; voer in of bij het water aanbieden; altijd vers drink- en badwater beschikbaar.
- Overig: goede waterkwaliteit essentieel; broedplaatsen op open zand of kunstmatige eilanden; rustige ligging en dagelijkse hygiëne bevorderen welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
De man heeft een helderwitte voorhoofd en kruin, met een zwarte band over de ogen. De bovenzijde is lichtgrijs, terwijl de onderzijde wit is. De vleugels zijn grijs met een lichte, zilverachtige glans. De snavel is geel met een zwarte punt, slank en recht. De poten zijn oranje en slank, met een fijne structuur. De ogen zijn donker met een subtiele, onopvallende oogring. In de broedtijd is het contrast tussen de zwarte kopband en witte voorhoofd het sterkst.
Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft vaak een iets minder uitgesproken zwarte kopband. De bovenzijde is eveneens lichtgrijs, met een subtiele glans. De onderzijde is wit, zonder opvallende markeringen. De snavel is geel, soms met een minder duidelijke zwarte punt. De poten zijn oranje, vergelijkbaar met die van de man. De ogen zijn donker, met een nauwelijks zichtbare oogring. Tijdens de broedtijd zijn de verschillen met de man minimaal.
Juveniel:
Juvenielen hebben een meer gem�leerd verenkleed, met bruine en grijze tinten op de bovenzijde. De onderzijde is vuilwit, met een minder helder contrast dan bij volwassenen. De vleugels hebben een lichte, bruine rand, die na verloop van tijd slijt. De snavel is donkergeel tot bruin, zonder duidelijke zwarte punt. De poten zijn bleekoranje, vaak met een rozige tint. De ogen zijn donker, met een onopvallende oogring. Het verenkleed mist de glans van volwassen vogels.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed met donkere vlekken. De snavel en poten zijn bleekgeel.