Vogel
Effenbosral
Effenbosral
Amaurolimnas concolor
Log in om deze soort toe te voegenDe Effenbosral behoort tot het geslacht Amaurolimnas binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).
Deze vogel komt voor van Zuid-Mexico tot Zuid-Amerika en leeft vooral in moerassige bossen, rivierstruiken en vochtige ravijnen. Hij voedt zich met insecten, kleine dieren en bessen en is schuw en vaak moeilijk waar te nemen vanwege zijn teruggetrokken gedrag.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
- Bird Family
- Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
- Bird Genus
- Amaurolimnas
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Rallen en koeten
Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
- Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
- Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
- Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Man:
De man heeft een uniform olijfbruin verenkleed met een subtiele groene glans. De kop en nek zijn iets donkerder, met een mat uiterlijk. De borst en buik tonen een lichtere tint, zonder duidelijke aftekening. Vleugels en dekveren zijn egaal van kleur, zonder zichtbare randen of vlekken. De snavel is recht en geelgroen, met een lichte wasachtige basis. Poten zijn grijsachtig groen, met een gladde structuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar olijfbruin verenkleed, maar met een iets doffere uitstraling. De kop en nek zijn minder donker dan bij de man, met een meer uniforme kleur. De borst en buik zijn lichtbruin, met een subtiele overgang naar de flanken. Vleugels en dekveren zijn egaal, zonder zichtbare patronen of contrasten. De snavel is iets korter en bleker dan die van de man. Poten zijn lichtgrijs, met een iets ruwere textuur. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer bruin verenkleed met een matte afwerking. De kop en nek zijn lichter dan bij volwassenen, met een vage streep over de ogen. De borst en buik zijn lichtbruin, met een onregelmatige vlekkenpatroon. Vleugels en dekveren vertonen lichte slijtage, met versleten randen. De snavel is kort en grijsachtig, met een onopvallende was. Poten zijn bleekgrijs, met een gladde structuur. De iris is donkerbruin, zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed. De snavel is kort en geelachtig, met een zachte textuur.