Vogel
Ekstergans
Ekstergans
Anseranas semipalmata
Log in om deze soort toe te voegenDe Ekstergans behoort tot het geslacht Anseranas uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
De magpiegans is een veel voorkomende vogel in noordelijk Australië en zuidelijk Nieuw-Guinea. Ze bewonen voornamelijk overstromingsvlakten en natte graslanden. In grote groepen voeden ze zich met waterplanten zoals wildrijst. Kenmerkend zijn hun zwart-witte veren en gedeeltelijk webbenpoten. Gedurende de broedperiode bouwen ze nesten in eenpansdaken of in boomtoppen, waarbij de mannetjes de nesten vaak alleen bouwen. De dieren zijn monogaam, maar sommige mannetjes hebben twee vrouwtjes.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eksterganzen (Anseranatidae)
- Bird Genus
- Anseranas
Ringmaat
Man 18.0 mm Vrouw 18.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Man:
Het mannetje is een middelgrote tot grote watervogel met een opvallend contrasterend verenkleed. De kop, nek, borst en bovenvleugels zijn zwart, vaak met een groenige of bronzen glans in zonlicht. De buik, flanken en delen van de vleugels zijn helder wit. De snavel is hoornkleurig tot grijs, met een grote, knobbelachtige verdikking op het voorhoofd die sterker ontwikkeld is bij volwassen mannetjes en in de broedtijd duidelijk zichtbaar wordt. De poten zijn oranje tot oranjeroze en halfgezwemd: de tenen zijn slechts gedeeltelijk verbonden door zwemvliezen, wat de soort onderscheidt van echte eenden en ganzen. De iris is donkerbruin. Mannetjes zijn doorgaans groter, met langere nekken en een meer massieve lichaamsbouw dan vrouwtjes.
Vrouw:
Het vrouwtje is vrijwel identiek aan het mannetje qua verenkleed, maar gemiddeld kleiner en fijner gebouwd. De knobbel op de snavelbasis is kleiner of vrijwel afwezig. De kleuren van snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje. In gedrag vertonen vrouwtjes vaak meer broedzorg en nestbewaking.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matter en grijzer verenkleed dan volwassen vogels. De kop en nek zijn bruingrijs in plaats van diep zwart, en de buik en flanken zijn vuilwit tot lichtgrijs. De vleugels tonen nog geen duidelijke contrasterende zwart-witte tekening. De snavel is smal en grijs zonder knobbel, de poten zijn vleeskleurig tot licht oranje, en de iris is donker. Naarmate de juvenielen ouder worden, ontwikkelen ze het kenmerkende zwart-witte kleed en verkleuren poten en snavel.
Kuiken:
De kuikens zijn donsachtig geelwit aan de onderzijde en lichtbruin tot grijsbruin aan de bovenzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en kin. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. Hun tenen zijn al bij geboorte gedeeltelijk verbonden door zwemvliezen, een onderscheidend kenmerk van de soort.