Vogel
Erckels frankolijn
Erckels frankolijn
Pternistis erckelii
Log in om deze soort toe te voegenDe Erckels frankolijn behoort tot het geslacht Pternistis binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze forse, bruin gestreepte fazantachtige is oorspronkelijk afkomstig uit de hoger gelegen graslanden en bosranden van Ethiopië, Eritrea en Soedan, maar is later geïntroduceerd op Hawaï voor de jacht. In zijn natuurlijke leefgebied geeft de vogel de voorkeur aan bergachtige streken op 2.000 tot 3.500 meter hoogte, waar hij zich schuilhoudt in droge graslanden of struiken. Opvallend is zijn schuiw gedrag; bij verstoring verstopt hij zich of vlucht hardlopend weg in plaats van op te vliegen, waarbij hij een luid lachend gekakel laat horen. Beide geslachten lijken sterk op elkaar en zijn overdag actief, meestal in kleine groepjes of als paartje.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Pternistis
Ringmaat
Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mmWelzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje heeft een overwegend roodbruin verenkleed op rug en vleugels met donkere strepen en fijne lichte vlekken. De borst is kastanjebruin tot roodbruin met subtiele donkere streping, de flanken zijn donkerder met fijne strepen. De buik is lichter beige tot wit. De kop heeft een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De snavel is grijsachtig tot bruin, de poten bruinachtig en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt op het mannetje maar is iets matter van kleur en minder contrastrijk gestreept. Het verenkleed is overwegend bruin met subtiele vlekken en strepen voor camouflage. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juveniele vogels lijken op het vrouwtje maar zijn matter van kleur en vertonen minder uitgesproken strepen en vlekken. De snavel is lichtgrijs, de poten grijsachtig bruin en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met lichtbruin dons met donkere vlekken en strepen op rug en kop, wat camouflage biedt in gras- en bosrijke habitats. De onderzijde is lichter beige. De snavel is klein en grijsachtig, de poten vleeskleurig en de iris donker.