Vogel
Galapagosdwergral
Galapagosdwergral
Laterallus spilonota
Log in om deze soort toe te voegenDe Galapagosdwergral behoort tot het geslacht Laterallus binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).
Deze kleine vogel leeft uitsluitend op de Galapagoseilanden, waar hij zich ophoudt in hooglandgebieden met dichte vegetatie. Het is een schuwe, bijna niet vliegende ral die zich voedt met insecten en zaden, en vaak bladeren omwoelt om voedsel te vinden. Door zijn beperkte vliegmogelijkheden is hij kwetsbaar voor invasieve soorten en veranderingen in zijn leefomgeving.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
- Bird Family
- Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
- Bird Genus
- Laterallus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Rallen en koeten
Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
- Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
- Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
- Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Man:
De man heeft een overwegend donkergrijs verenkleed met een subtiele blauwachtige glans. De kop en nek zijn iets lichter van kleur, met een duidelijke scheiding naar de donkerdere borst. De vleugels vertonen fijne, zwarte vlekken die een contrasterend patroon vormen. De buik is egaal grijs zonder opvallende markeringen. De snavel is kort en zwart, met een lichte kromming aan de punt. De poten zijn donkergrijs en hebben een gladde textuur. De ogen zijn donkerbruin met een onopvallende, grijze oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder uitgesproken glans. De kop en nek zijn iets lichter grijs, met een subtiele overgang naar de borst. De vleugels hebben minder opvallende vlekken, waardoor het patroon minder contrastrijk is. De buik is lichtgrijs en vertoont soms een vage streping. De snavel is iets korter en dunner dan die van de man, maar eveneens zwart. De poten zijn donkergrijs en iets fijner van structuur. De ogen zijn donkerbruin met een smalle, grijze oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een bruine tint over het grijs. De kop en nek zijn minder duidelijk afgebakend van de borst. De vleugels vertonen een onregelmatig patroon van lichte en donkere vlekken. De buik is lichter van kleur, met een onopvallende streping. De snavel is kort en donkergrijs, met een lichtere basis. De poten zijn lichtgrijs en hebben een iets ruwere textuur. De ogen zijn donkerbruin met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, grijsbruin verenkleed zonder duidelijke markeringen. De snavel is kort en lichtgrijs.