Geelbuiksapspecht

Sphyrapicus varius

Log in om deze soort toe te voegen

De Geelbuiksapspecht behoort tot het geslacht Sphyrapicus binnen de familie van Spechten (Picidae).

Deze middelgrote specht komt voor in Noord- en Midden-Amerika, waar hij in de zomer broedt in loof- en gemengde naaldbossen. In de winter leeft hij in bossen en halfopen gebieden. Hij voedt zich met boomschorssap en insecten en maakt kenmerkende rijen kleine gaatjes in bomen om sap te verzamelen. Beide ouders zorgen voor de jongen, die daarna zelfstandig leren de sapheuvels te gebruiken.

Geelbuiksapspecht
Yellow-bellied Sapsucker
Gelbbauch-Saftlecker
Pic macul�

Taxonomische indeling

Bird Order
Spechtachtigen (Piciformes)
Bird Family
Spechten (Picidae)
Bird Genus
Sphyrapicus

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Spechten

Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
  • Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
  • Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Spechten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een opvallende rode kruin en keel, die sterk contrasteren met de zwarte kop. De rug is zwart met witte strepen, terwijl de vleugels zwart met witte vlekken zijn. De borst is wit met een zwarte band, die scherp afsteekt tegen de lichtgele buik. De snavel is recht en zwart, ideaal voor het boren in bomen. De ogen zijn donker met een subtiele witte oogring. De poten zijn grijs en hebben een stevige structuur.

Vrouw:
De vrouw heeft een minder opvallende kruin, vaak met een bruine tint in plaats van rood. De keel is wit, wat contrasteert met de zwarte kop en nek. De rug en vleugels vertonen hetzelfde patroon als de man, maar met minder scherpe contrasten. De borstband is minder uitgesproken, en de buik is lichtgeel. De snavel is vergelijkbaar met die van de man, maar iets lichter van kleur. De ogen zijn donker met een subtiele witte oogring, en de poten zijn grijs.

Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met vage strepen op de rug en vleugels. De kop is minder contrastrijk, met een bruine tint en een onopvallende keel. De borst en buik zijn lichtbruin met een vage bandering. De snavel is korter en lichter dan bij volwassenen, met een grijze tint. De ogen zijn donker zonder opvallende oogring. De poten zijn grijs en minder robuust dan bij volwassen vogels.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag donzige, grijze veren. De snavel is kort en lichtgekleurd.