Geelsnavelkoekoek

Coccyzus americanus

Log in om deze soort toe te voegen

De Geelsnavelkoekoek behoort tot het geslacht Coccyzus binnen de familie van Koekoeken (Cuculidae).

Deze trekvogel komt voor in de Verenigde Staten, het zuiden van Canada en Midden-Amerika, met de hoogste aantallen in het zuidoosten en centrum van de VS, maar is zeldzamer in het westen. Hij broedt vooral in dichte loofbossen, riet, struwelen en langs rivieren met onder andere populier en wilg. Na het broedseizoen trekt hij naar Zuid-Amerika om te overwinteren. De soort is vooral te horen tijdens warme zomerdagen en voedt zich voornamelijk met harige rupsen, waarbij hij grote aantallen eet bij plaaguitbraken, maar ook andere insecten, kikkers, hagedissen en fruit staan op het menu. In tegenstelling tot veel andere koekoeken is hij bijna nooit een broedparasiet en bouwt hij een eigen nest.

Geelsnavelkoekoek
Yellow-billed Cuckoo
Gelbschnabelkuckuck
Coulicou � bec jaune

Taxonomische indeling

Bird Order
Koekoekachtigen (Cuculiformes)
Bird Family
Koekoeken (Cuculidae)
Bird Genus
Coccyzus

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Koekoeken

Koekoeken zijn middelgrote insectivore vogels die voorkomen in tropische en gematigde regio’s. Veel soorten staan bekend om hun broedparasitisme, terwijl andere eigen nesten bouwen in dichte vegetatie. In de avicultuur vragen Koekoeken om ruime, beplante verblijven met schaduw, natuurlijke insectenvoeding en rust. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: buitenverblijf met struiken en open zones (25–40 m² per koppel); zitstokken op verschillende hoogtes; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel, licht, droog en goed geventileerd.
  • Klimaat: tropisch tot gematigd; temperatuur 18–28 °C; bij < 15 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen regen en wind.
  • Sociaal: solitair of per koppel; tijdens broedperiode territoriaal; rustige, beschutte omgeving vermindert stress.
  • Voeding: insecten, rupsen, wormen, krekels en larven; insectenvoer en meelwormen; aanvullen met zacht fruit; altijd schoon drinkwater aanwezig.
  • Overig: dichte beplanting voor schuilgedrag; nestvoorziening afhankelijk van soort; dagelijkse hygiëne en natuurlijke lichtcyclus belangrijk voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen Koekoeken

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een overwegend grijsbruine rug met een subtiele olijftint. De vleugels zijn donkerder met een lichte roestkleurige rand aan de slagpennen. De kop is grijs met een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oogstreep. De borst is lichtgrijs, geleidelijk overgaand in een wittere buik. De snavel is lang en gebogen, met een zwarte bovensnavel en een gele ondersnavelbasis. De poten zijn grijsblauw en de iris is donkerbruin. De staartveren zijn donker met opvallende witte uiteinden.

Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft een iets doffere kleuring. De rug is grijsbruin met minder uitgesproken olijftinten. De vleugels hebben een subtiele roestkleurige rand, maar zijn over het algemeen minder contrastrijk. De kop heeft een vergelijkbare grijze tint met een minder duidelijke wenkbrauwstreep. De borst en buik zijn lichtgrijs tot wit, zonder duidelijke scheiding. De snavel is vergelijkbaar in vorm en kleur als die van de man. De poten zijn grijsblauw en de iris is donkerbruin. De staart heeft dezelfde donkere veren met witte uiteinden.

Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een meer uniforme bruine tint op de rug. De vleugels zijn minder contrastrijk en missen de roestkleurige randen. De kop is bruinachtig met een vage wenkbrauwstreep en een minder uitgesproken oogstreep. De borst en buik zijn lichtbruin tot grijs, zonder duidelijke overgangen. De snavel is korter en minder gebogen dan bij volwassenen, met een lichtere basis. De poten zijn grijsachtig en de iris is donkerbruin. De staartveren zijn donker met minder opvallende witte uiteinden.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne laag grijsachtig dons. De snavel is kort en geelachtig van kleur.