Geelsnaveltaling (merida)

Anas andium altipetens

Log in om deze soort toe te voegen

De Geelsnaveltaling (merida) (Synoniem: Merida taling) behoort tot het geslacht Anas binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze eend komt voor in het oostelijk deel van de Andes in Colombia en westelijk Venezuela, waar hij leeft in hooggelegen graslanden en langs rivieren. Hij nestelt nabij water in dichte begroeiing en vertoont een uniek paringsgedrag waarbij het mannetje na de paring langgerekt rondzwemt naast het vrouwtje. Beide ouders zorgen voor het jong, dat na 6 � 7 weken zelfstandig is.

Geelsnaveltaling (merida)
Merida Yellow-billed Teal
M�rida-Gelbzunge
Sarcelle � bec jaune de M�rida

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Anas

Ringmaat

Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
  • Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Man:
Het mannetje heeft een warm- tot donkerbruin verenkleed met fijne donkere vlekjes en geschubde patronen. De kop en nek zijn lichtbruin met subtiele donkere strepen, de borst en flanken zijn warm kastanjebruin en de buik is vuilwit tot lichtgrijs. De vleugels dragen een iriserend groene speculum, zwart omlijst, soms met een lichte voorrand. De snavel is helder geel met een brede zwarte dorsale band. De poten zijn grijsgeel tot oranje, de iris donkerbruin. Deze ondersoort is aangepast aan de hooggelegen meren van de Andes en is gemiddeld iets kleiner en compacter dan laaglandvogels.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje en niet gemakkelijk te onderscheiden in het veld. Zij is gemiddeld iets kleiner en slanker van bouw. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn doffer bruin, met een minder uitgesproken geschubd patroon op borst en flanken. De kop is egaler bruin en de speculum is minder glanzend. De snavel is grijzer van toon met een zwak geelpatroon. De poten zijn vleeskleurig tot grijs en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde met een geelachtig tot lichtbruine onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.