Vogel
Geelvoorhoofdketellapper
Geelvoorhoofdketellapper
Pogoniulus chrysoconus
Log in om deze soort toe te voegenDe Geelvoorhoofdketellapper behoort tot het geslacht Pogoniulus binnen de familie van Baardvogels (Lybiidae).
De geelvoorhoofdketellapper is een kleine vogel uit de familie Lybiidae. Hij komt voor in een groot deel van Afrika ten zuiden van de Sahara en geeft de voorkeur aan open tot gesloten loofbossen. Deze vogels zijn vaste broeders en zijn vaak te vinden in mesische milieus. Hun gedrag is voornamelijk solitair, maar ze kunnen in kleinere groepen worden gezien. Ze zijn bekend om hun heldere roepen en zijn niet al te schuw voor de mens.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Afrikaanse baardvogels (Lybiidae)
- Bird Genus
- Pogoniulus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Baardvogels
Baardvogels zijn kleurrijke holenbroeders uit tropische en subtropische gebieden van Afrika, Azië en Amerika. Ze leven voornamelijk in bossen en halfopen landschappen en hebben in de avicultuur behoefte aan ruime, goed beplante volières met nestgelegenheid en warm klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (6–10 m² per koppel, 2–3 m hoog) met dichte beplanting, takken en nestblokken of boomstammen met holtes; droog, tochtvrij binnenverblijf aanwezig.
- Klimaat: warm en vochtig; temperatuur boven 18 °C; luchtvochtigheid 50–70%; goede ventilatie zonder tocht.
- Sociaal: houden in paren of kleine familiegroepen; tijdens broedperiode koppels apart om territoriaal gedrag te beperken.
- Voeding: zachtvoer voor insecten- en fruiteters; aanvullen met fruit (banaan, appel, bessen) en insecten (meelwormen, krekels); tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water.
- Overig: zand- of turfbodem regelmatig reinigen; nestblokken of zacht hout bevorderen natuurlijk broedgedrag; rustige omgeving en natuurlijke inrichting.
Man:
De man heeft een opvallend geel verenkleed met een glanzende uitstraling. De kop is zwart met een heldere gele streep boven de ogen. De nek en borst zijn intens geel, contrasterend met de zwarte vleugels. De vleugels hebben witte vlekken die duidelijk zichtbaar zijn. De snavel is kort en zwart, met een stevige structuur. De poten zijn donkergrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een subtiele lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een iets doffer geel verenkleed dan de man. De kop is minder intens zwart, met een vaag gele streep. De nek en borst zijn lichtgeel, met een subtiele overgang naar de buik. De vleugels zijn donker met minder opvallende witte vlekken. De snavel is vergelijkbaar met die van de man, maar iets slanker. De poten zijn grijs en hebben een vergelijkbare structuur. De iris is donkerbruin, met een minder uitgesproken oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een dof geel verenkleed met een matte uitstraling. De kop is grijsachtig met een vage gele streep. De nek en borst zijn bleekgeel, met een geleidelijke overgang naar de buik. De vleugels zijn donker met nauwelijks zichtbare witte vlekken. De snavel is kort en grijs, met een zachtere structuur. De poten zijn lichtgrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens hebben een pluizig, lichtgeel verenkleed. De snavel is klein en lichtgrijs van kleur.