Gele fluiteend

Dendrocygna bicolor

Log in om deze soort toe te voegen

De Gele fluiteend (Synoniem: Rosse fluiteend / Rosse boomeend) behoort tot het geslacht Dendrocygna binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze watervogel leeft vooral in moerassen, ondiepe meren en overstroomde rijstvelden in tropische en subtropische gebieden van Amerika, Afrika en Azi�. Hij voedt zich voornamelijk met zaden van waterplanten en kleine waterinsecten en zoekt 's nachts naar voedsel. Overdag rust hij vaak in groepen in het riet of bomen.

Gele fluiteend
Black-bellied Whistling Duck
Schwarzbauchpfeifgans
Dendrocygne � ventre noir

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Dendrocygna

Ringmaat

Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mm

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje heeft een overwegend warm roest- tot kaneelbruin verenkleed. De kop, nek en borst zijn egaal rossig, de buik en onderstaart zijn contrasterend wit. De rug en bovenvleugels zijn donkerder bruin, met kastanjebruine tot zwarte slagpennen. De flanken zijn getekend met fijne donkere strepen. De snavel is grijszwart, de poten zijn blauwgrijs en de iris is donkerbruin. De lange poten en nek geven de soort een slank silhouet.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje en in het veld moeilijk te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets kleiner en lichter van bouw. Snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen zijn doffer en meer bruingrijs van kleur, met minder uitgesproken kaneeltinten. De buik is vuilwit, en de strepen op de flanken zijn zwakker ontwikkeld. De snavel is grijzer, de poten vleeskleurig tot grijs en de iris donker.

Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde, met een gelige tot vuilwitte onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 225
  • Tijdschrift 248
  • Tijdschrift 270