Vogel
Goudengrondspecht
Goudengrondspecht
Colaptes auratus
Log in om deze soort toe te voegenDe Goudengrondspecht behoort tot het geslacht Colaptes binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze middelgrote specht is wijdverbreid in Noord- en Midden-Amerika en leeft vooral in open bossen, bosranden, parken en tuinen. Hij foerageert vaak op de grond, voornamelijk op mieren en andere insecten, en nestelt in boomholtes die door beide geslachten worden uitgegraven. Zijn opvallende vlucht toont kleurige vleugelveren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Colaptes
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend goudkleurig verenkleed met een glanzende uitstraling. De kop is grijs met een rode vlek aan de achterkant. De nek en borst zijn lichtbruin met zwarte stippen, die een contrasterend patroon vormen. De vleugels zijn donkerbruin met goudgele randen, wat een versleten uiterlijk kan geven. De buik is lichtgeel met een subtiele bandering. De snavel is recht en zwart, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs en hebben een robuuste structuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een iets doffer verenkleed dan de man, met minder glans. De kop is grijs zonder de rode vlek, wat een subtieler uiterlijk geeft. De nek en borst zijn lichtbruin met minder uitgesproken zwarte stippen. De vleugels zijn donkerbruin met goudgele randen, vergelijkbaar met de man. De buik is lichtgeel, maar de bandering is minder prominent. De snavel is recht en zwart, met een iets minder opvallende wasachtige basis. De poten zijn grijs en slanker dan die van de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een dof bruin verenkleed met een matte uitstraling. De kop is grijsbruin zonder opvallende vlekken, wat een uniform uiterlijk geeft. De nek en borst zijn lichtbruin met vage stippen, die minder contrasterend zijn. De vleugels zijn donkerbruin met vaag goudgele randen, die minder versleten lijken. De buik is lichtgeel met nauwelijks zichtbare bandering. De snavel is korter en lichter van kleur dan bij volwassenen. De poten zijn grijs en minder robuust dan bij volwassen vogels.
Kuiken:
Kuikens hebben een pluizig, lichtbruin verenkleed zonder duidelijke patronen. De snavel is kort en lichtgrijs van kleur.