Vogel
Grauwe gans (westelijke)
Grauwe gans (westelijke)
Anser anser anser
Log in om deze soort toe te voegenDe Grauwe gans (westelijke) behoort tot het geslacht Anser uit de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
Deze watervogel broedt vooral in moerasgebieden, graslanden nabij water en rietvelden in Noord- en Centraal-Europa, met belangrijke populaties in Nederland en Scandinavi�. Ze zijn deels trekkend, overwinteren in milde gebieden zoals Nederland en Zuid-Europa, en leven voornamelijk van gras, wortels en zaden. Tijdens de rui schuilen ze in rietlanden. Gedurende broedtijd zijn ze beschermend en leven in familieverbanden, vaak dichtbij water en open terreinen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Anser
Ringmaat
Man 20.0 mm Vrouw 20.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje heeft een grijsbruin verenkleed met lichtere zandkleurige flanken en een witte buik. De kop en hals zijn grijzer van toon dan bij de andere ondersoort, de borst is lichtbruin tot beige. De vleugels zijn donkergrijs met lichtere dekveren, de staart is grijs met een witte rand. De snavel is oranjegeel tot oranjerood, vrij fors en relatief kort, met een bleke snavelnagel. De poten zijn roze-oranje en de iris donkerbruin. In het veld oogt deze ondersoort gemiddeld forser en lichter van kleur dan de oostelijke vorm.
Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje. Zij is gemiddeld iets kleiner en slanker van bouw. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn grijzer en matter van kleur. De snavel is dof grijsgeel met een donkere nagel en mist het felle oranje van de adulten. De poten zijn vleeskleurig tot grauwroze, de iris donker. Het verenkleed is egaler bruin, met minder contrasterende tinten op borst en flanken.
Kuiken:
De kuikens zijn geel donsachtig aan de onderzijde met een olijfbruine bovenzijde. Ze vertonen een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en keel. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.