Grijsgroene specht

Dendropicos goertae

Log in om deze soort toe te voegen

De Grijsgroene specht behoort tot het geslacht Dendropicos binnen de familie van Spechten (Picidae).

Deze vogel komt algemeen voor op het Afrikaanse continent, van Senegal tot Soedan en verder oostwaarts tot in Ethiopi�, maar hij schuwt het regenwoud en profiteert juist van open bos, plantages, parken, tuinen en zelfs mangrovegebieden. Als insecteneter jaagt hij in bomen op insecten terwijl hij met zijn poten en staart langs de stam beweegt. Hij slaat zijn nest uit in boomholtes, vaak in palmbomen, en legt doorgaans twee tot vier eieren. Zijn roep klinkt als een luid, snel herhaald �peet-peet-peet-peet�. Het mannetje onderscheidt zich van het vrouwtje door een opvallende rode kruin tot het achterhoofd; het vrouwtje heeft dit kenmerk niet. De soort wordt niet bedreigd en is vooral in West-Afrika zelfs zeer algemeen.

Grijsgroene specht
Grey Woodpecker
Graubrustspecht
Pic goertan

Taxonomische indeling

Bird Order
Spechtachtigen (Piciformes)
Bird Family
Spechten (Picidae)
Bird Genus
Dendropicos

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Spechten

Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
  • Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
  • Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
  • Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Spechten

Man:
De man heeft een opvallende rode kruin die sterk contrasteert met de zwarte kop. De nek en rug zijn olijfgroen met een subtiele glans, terwijl de vleugels donkerder zijn met lichte vlekken. De borst en buik zijn witachtig met fijne zwarte streepjes. De staart is zwart met witte randen, wat een gestreept effect geeft. De snavel is recht en grijs, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs en hebben een robuuste structuur. De ogen zijn donkerbruin met een onopvallende oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een zwarte kruin zonder de rode tint die bij de man aanwezig is. Haar rug en nek zijn eveneens olijfgroen, maar iets doffer van kleur. De vleugels vertonen dezelfde donkere tint met lichte vlekken als bij de man. De borst en buik zijn witachtig met subtiele zwarte streepjes, minder uitgesproken dan bij de man. De staart is zwart met witte randen, vergelijkbaar met de man. De snavel is recht en grijs, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs en stevig, met een vergelijkbare structuur als bij de man.

Juveniel:
Juvenielen hebben een minder uitgesproken kleurpatroon dan volwassen vogels. De kruin is vaak bruinachtig met enkele rode tinten. De rug en nek zijn olijfgroen, maar met een matte uitstraling. De vleugels zijn donker met onregelmatige lichte vlekken. De borst en buik zijn witachtig met vage streepjes, minder duidelijk dan bij volwassenen. De staart is zwart met onduidelijke witte randen. De snavel is korter en lichter grijs dan bij volwassenen. De poten zijn grijs en minder robuust dan bij volwassen vogels.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. Hun snavel is kort en lichtgrijs van kleur.