Vogel
Grijskapspecht
Grijskapspecht
Yungipicus canicapillus
Log in om deze soort toe te voegenDe Grijskapspecht behoort tot het geslacht Yungipicus binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze kleine specht komt voor in Zuid-, Zuidoost- en Oost-Azi�, van Pakistan tot de Indische Archipel, in subtropische en tropische bossen, zowel in natuurlijke hellingbossen als in aangeplant bos. Hij voedt zich met insecten en vertoont het typische spechtgedrag van op bomen tikken en klimmen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Yungipicus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een grijsbruine kop met een opvallende rode vlek op de achterkop. De rug is donkerbruin met lichte strepen, terwijl de vleugels een patroon van witte en bruine banden vertonen. De borst en buik zijn lichtgrijs met fijne, donkere streepjes. De staart is donker met witte uiteinden aan de buitenste veren. De snavel is kort en zwart, met een lichte kromming. De poten zijn grijs en hebben een stevige structuur. De ogen zijn donkerbruin met een subtiele, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbare grijsbruine kop, maar mist de rode vlek van de man. De rug en vleugels vertonen hetzelfde patroon van donkere en lichte banden. De borst en buik zijn iets lichter dan bij de man, met subtiele streepjes. De staart heeft dezelfde donkere kleur met witte uiteinden. De snavel is eveneens kort en zwart, zonder opvallende kromming. De poten zijn grijs en robuust. De ogen zijn donkerbruin met een lichte oogring, vergelijkbaar met de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffere kleur dan volwassen vogels, met een meer uniforme grijsbruine kop. De rug en vleugels zijn minder contrastrijk, met vage banden. De borst en buik zijn lichtgrijs met nauwelijks zichtbare streepjes. De staart is donker, maar de witte uiteinden zijn minder uitgesproken. De snavel is kort en donkergrijs, met een lichte kromming. De poten zijn grijs en minder stevig dan bij volwassenen. De ogen zijn donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. Hun snavel en poten zijn lichtgrijs en zacht.