Vogel
Groene muskaatduif
Groene muskaatduif
Ducula aenea
Log in om deze soort toe te voegenDe Groene muskaatduif behoort tot het geslacht Ducula uit de familie van duiven (Columbidae)
.
Deze grote, plompe bosduif leeft in de tropische wouden van Zuid-Azië, van Nepal en India via Zuidoost-Azië tot Indonesië en de Filipijnen. Hij houdt zich vooral op in primair en secundair bos, mangroven en open gebied met bomen, waar hij voornamelijk in boomkruinen naar fruit, bessen en vijgen zoekt. Vaak zit hij in kleine groepen samen, maar tijdens de broedtijd is hij vaker alleen of paarsgewijs; het nest is een eenvoudig platform van takken waarin meestal één ei wordt gelegd. Hij vermijdt de grond en vertoont een snelle, directe vlucht.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Ducula
Ringmaat
Man 10.0 mm Vrouw 10.0 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor een optimaal welzijn van duiven is de inrichting van een passende leefomgeving noodzakelijk. De centrale aandachtspunten voor een verantwoorde verzorging en huisvesting betreffen de beschikbare ruimte, de nutritionele behoeften en het faciliteren van natuurlijk sociaal gedrag.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–8 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Sommige soorten hebben baat bij een vorstvrij of verwarmt verblijf.
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor vruchtenetende duiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor mineralen, grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje heeft een overwegend groenig tot blauwgroen verenkleed op rug, borst en vleugels, met een iriserende glans die varieert van paars tot metaalachtig groen afhankelijk van het licht. De buik is lichter groen tot grijsachtig. De kop is grijsachtig met een groene glans op nek en kruin. De staart is lang en donkergroen met een blauwachtige glans aan de uiteinden. De snavel is donkergrijs tot zwart, de poten roodachtig en de iris oranjerood.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar de iriserende glans is minder intens. De kleuren zijn matter groenig en blauwgrijs, en de buik is iets grijzer. De snavel, poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.
Juveniel:
Jonge vogels hebben een doffer, bruinachtig-grijs verenkleed met weinig of geen iriserende glans. De borst en buik zijn egaal grijsachtig, en de vleugels missen de metalen glans. De snavel is lichter grijs, de poten doffer rood en de iris donkerbruin.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, grijsbruin dons. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker. Het volwassen verenkleed met de kenmerkende groene en metalen glans ontwikkelt zich pas geleidelijk tijdens het juveniele stadium.