Groenling

Chloris chloris

Log in om deze soort toe te voegen

De Groenling behoort tot het geslacht Chloris binnen de familie van Vinkachtigen (Fringillidae).

De groenling is een veelvoorkomende zangvogel die vooral in halfopen landschappen, parken, tuinen en langs bosranden te vinden is, mits er voldoende dichte struiken aanwezig zijn. De vogel broedt in een groot deel van Europa, het Midden-Oosten en Noord-Afrika en is in Nederland jaarrond aanwezig. Groenlingen zijn meestal standvogels, maar trekken na het broedseizoen vaak in groepjes rond en bezoeken in de winter ook voedselrijke akkers en braakliggende terreinen. Ze eten vooral zaden en bessen en zijn niet erg territoriaal, soms broedend in een los kolonieverband. In de stad en op het platteland is de soort goed aangepast aan menselijke omgevingen.

Groenling
European Greenfinch
Gr�nfink
Verdier d'Europe

Taxonomische indeling

Bird Order
Zangvogels (Passeriformes)
Bird Family
Vinkachtigen (Fringillidae)
Bird Genus
Chloris

Ringmaat

Man 3.0 mm Vrouw 3.0 mm

Welzijnsadviezen

Overige vogels

De categorie overige vogels omvat een zeer brede en diverse groep vogelsoorten met uiteenlopende biologische, ecologische en gedragsmatige kenmerken. Vanwege deze grote variatie is het niet mogelijk om één uniforme set huisvestingsrichtlijnen op te stellen die voor alle soorten binnen deze categorie passend en verantwoord is.

Om die reden zijn er voor deze categorie geen specifieke, vastomlijnde richtlijnen geformuleerd. Bij het huisvesten van overige vogels dient altijd maatwerk te worden toegepast, waarbij rekening wordt gehouden met de soortspecifieke behoeften, natuurlijke leefwijze, sociale structuur en welzijnseisen van de betreffende vogels. Algemene principes van dierenwelzijn, veiligheid en verzorging blijven hierbij leidend.

Huisvestingsrichtlijnen waterpartij diep

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een overwegend olijfgroen verenkleed met een heldere gele tint op de vleugelranden. De kop en nek zijn iets donkerder, met een subtiele glans die vooral in zonlicht opvalt. De borst en buik zijn lichter, met een gele ondertoon die naar de flanken toe vervaagt. De vleugels en staart hebben opvallende gele randen, die contrasteren met de donkere dekveren. De snavel is kegelvormig en bleekroze van kleur, met een lichte wasachtige textuur. De poten zijn vleeskleurig en hebben een gladde structuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een doffer verenkleed met een overwegend grijsgroene tint, minder helder dan de man. De kop en nek zijn egaal van kleur, zonder de glans die bij de man te zien is. De borst en buik zijn lichtgrijs met een subtiele groene waas, die naar de flanken toe donkerder wordt. De vleugels hebben minder uitgesproken gele randen, wat zorgt voor een minder contrastrijk uiterlijk. De snavel is eveneens kegelvormig, maar iets donkerder van kleur dan bij de man. De poten zijn lichtbruin en hebben een vergelijkbare structuur als die van de man. De iris is donkerbruin, zonder opvallende kenmerken.

Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met een vage groene tint, vooral op de rug en flanken. De kop en nek zijn gestreept met lichtere en donkere tinten, wat een gevlekt patroon oplevert. De borst en buik zijn lichter, met een onregelmatige streping die naar de flanken toe vervaagt. De vleugels hebben minder uitgesproken gele randen, vergelijkbaar met de vrouw. De snavel is kegelvormig en grijsachtig van kleur, met een zachte wasachtige textuur. De poten zijn lichtbruin en hebben een gladde structuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijsachtige donslaag die weinig kleurvariatie vertoont. De snavel is klein en bleek, met een zachte textuur.