Vogel
Grote franjepoot
Grote franjepoot
Phalaropus tricolor
Log in om deze soort toe te voegenDe Grote franjepoot behoort tot het geslacht Phalaropus uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).
De Wilsons franjepoot is een kleine wadervogel die in de westelijke provincies van Canada en de Verenigde Staten broedt. Het is een trekvogel die overwintert in zoute meren in de Andesregio van Zuid-Amerika. Tijdens de trektijd is de vogel in grote aantallen te vinden in héél diverse habitats, zoals ondiepe meren, zoute meren, en kustgebieden. Het is een sociale vogel die in groepen samenkomt en gesteld is op gebieden met riet en open water voor voedsel en nesten.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
- Bird Genus
- Phalaropus
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's
De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
- Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje (driekleurige franjepoot) is een kleine steltloper van circa 22�24 cm lengte. In broedkleed is de kop grotendeels grijs met een witte wang en keel, terwijl de achterhals en flanken kastanjebruin tot roodbruin gekleurd zijn. De rug en vleugels zijn donkergrijs met lichtere randen, de buik is wit. De snavel is recht, slank en zwart, de poten zijn grijsgroen en voorzien van lobben aan de tenen, aangepast aan zwemmen. De iris is donkerbruin.
Vrouw:
Bij deze soort is het vrouwtje kleurrijker dan het mannetje. Haar broedkleed toont een intensere roodbruine nek en flanken, en contrasterend donkerder grijs op rug en kruin. Ze is gemiddeld ook iets groter en krachtiger gebouwd. Buiten het broedseizoen lijken beide geslachten sterk op elkaar, in een eenvoudig grijs-wit winterkleed.
Juveniel:
Juvenielen zijn zandbruin tot lichtgrijs van kleur met fijne donkere vlekken en lichte randen aan rug- en mantelveren, wat een geschubd patroon oplevert. De borst is beige met fijne streepjes, de buik vuilwit. De snavel is zwart, de poten grijsgroen.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht dons, geelbruin tot zandkleurig met donkere rugstrepen en een fijne oogstreep die camouflage biedt in graslanden en moerassen. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig met al zichtbare zwemlobben, en de ogen donker. Het opvallende driekleurige broedkleed ontwikkelt zich pas in de eerste jeugdrui.