Vogel
Grote renkoekoek
Grote renkoekoek
Geococcyx californianus
Log in om deze soort toe te voegenDe Grote renkoekoek (synoniem: Roadrunner) behoort tot het geslacht Geococcyx binnen de familie van Koekoeken (Cuculidae).
Deze vogel komt voor in droge, open gebieden van het zuidwesten van Noord-Amerika, vooral in woestijnachtige en schrale graslanden. Hij is een uitstekende hardloper en jaagt actief op insecten, kleine reptielen en knaagdieren. Overdag beweegt hij snel over de grond en gebruikt zijn snelheid om prooien te vangen en roofdieren te ontwijken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Koekoekachtigen (Cuculiformes)
- Bird Family
- Koekoeken (Cuculidae)
- Bird Genus
- Geococcyx
Ringmaat
Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Welzijnsadviezen
Koekoeken
Koekoeken zijn middelgrote insectivore vogels die voorkomen in tropische en gematigde regio’s. Veel soorten staan bekend om hun broedparasitisme, terwijl andere eigen nesten bouwen in dichte vegetatie. In de avicultuur vragen Koekoeken om ruime, beplante verblijven met schaduw, natuurlijke insectenvoeding en rust. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met struiken en open zones (25–40 m² per koppel); zitstokken op verschillende hoogtes; binnenverblijf ± 2–3 m² per vogel, licht, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch tot gematigd; temperatuur 18–28 °C; bij < 15 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen regen en wind.
- Sociaal: solitair of per koppel; tijdens broedperiode territoriaal; rustige, beschutte omgeving vermindert stress.
- Voeding: insecten, rupsen, wormen, krekels en larven; insectenvoer en meelwormen; aanvullen met zacht fruit; altijd schoon drinkwater aanwezig.
- Overig: dichte beplanting voor schuilgedrag; nestvoorziening afhankelijk van soort; dagelijkse hygiëne en natuurlijke lichtcyclus belangrijk voor welzijn.
Man:
De man heeft een opvallend verenkleed met een mengeling van bruine en zwarte tinten. De kop is donkerder met een lichte, bijna witte streep boven de ogen. De nek en borst vertonen een subtiele glans, terwijl de buik meer mat is. Vleugels zijn donker met lichte randen, wat een versleten indruk kan geven. De snavel is lang en slank, met een grijze kleur die naar de punt toe donkerder wordt. De poten zijn blauwgrijs en hebben een robuuste structuur. De iris is geel met een dunne, donkere oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder uitgesproken contrasten. De kop is iets lichter, met een minder duidelijke streep boven de ogen. De nek en borst hebben een matte uitstraling, zonder de glans die bij de man te zien is. De buik is lichtbruin en contrasteert subtiel met de donkere vleugels. De snavel is iets korter en heeft een gelijkmatige grijze kleur. De poten zijn blauwgrijs, maar iets slanker dan die van de man. De iris is geel, omringd door een dunne, donkere oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een overwegend bruine tint. De kop is minder contrastrijk, met een vage streep boven de ogen. De nek en borst zijn egaal bruin, zonder glans. De buik is lichtbruin en gaat geleidelijk over in de donkere vleugels. De snavel is korter en lichter van kleur dan bij volwassenen. De poten zijn grijs en minder robuust. De iris is lichtgeel, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel en poten zijn lichtgrijs en nog niet volledig ontwikkeld.