Grutto (ijslandse)

Limosa limosa islandica

Log in om deze soort toe te voegen

De Grutto (ijslandse) (Synoniem: IJslandse grutto) behoort tot het geslacht Limosa uit de familie van strandlopers en snippen (Scolopacidae).

De black-tailed godwit, met een kenmerkende oranje vacht en zwarte staartstreep, is een waadvogel die in IJsland broedt. De vogels zijn te vinden in natte gebieden zoals moerassen en graslanden. Ze migreren naar het VK, Ierland, Frankrijk en Nederland om te overwinteren. De populatie is toegenomen in IJsland en ze vertonen sociale gedragingen, vaak in kleine kolonies nestelend. De vogels zijn aangetrokken door rijke voedselbronnen en zijn bekend om hun migratiepatronen, waarbij ze vaak op specifieke plekken samenkomen voordat ze naar hun nestplaatsen vertrekken.
Grutto (ijslandse)
Black-tailed Godwit (islandica)
Barge � queue noire (islandica)

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Limosa

Ringmaat

Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een forse steltloper van circa 40�42 cm lengte, maar gemiddeld iets kleiner en compacter dan de nominaatvorm. In broedkleed is de kop, hals en borst diep oranjerood tot roestkleurig, vaak verder doorlopend over buik en flanken dan bij andere ondersoorten. De rug en scapulieren zijn donkerbruin met zwarte centra en kastanjebruine randen, wat een contrastrijk geschubd patroon oplevert. In vlucht valt de brede witte vleugelstreep en de witte stuit op, contrasterend met de zwarte vleugelpunten en staartband. De snavel is lang, recht en licht opgewipt, aan de basis oranje tot roze en naar de punt toe zwart. De poten zijn lang en donkergrijs tot zwart, de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend, maar gemiddeld iets groter en met een langere snavel. De oranjerode borst en buik zijn vaak minder intens en minder uitgebreid gekleurd, waardoor het kleed bleker oogt dan dat van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen hebben een grijzer en minder contrastrijk verenkleed. De rugveren zijn zandbruin met lichte randen, waardoor een subtiel geschubd patroon ontstaat. De borst is vaalbeige met fijne donkere vlekjes, de buik vuilwit. De snavel is korter en uniform grijsbruin, de poten lichter grijsgroen.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht dons, geelbruin tot zandkleurig met donkere rugstrepen die uitstekende camouflage bieden op open graslanden en moerassen. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig, de ogen donker. Het kenmerkende oranjerode broedkleed verschijnt pas in de eerste volwassen rui.