Vogel
Heuvelbospatrijs
Heuvelbospatrijs
Arborophila torqueola
Log in om deze soort toe te voegenDe Heuvelbospatrijs (synoniem: Tibetaanse heuvelpatrijs, Tibetaanse bospatrijs) behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel komt voor in de bergachtige streken van de Himalaya en Zuidoost-Azië, waar hij leeft in dichte bosrijke habitats. Hij voedt zich met zaden en kleine ongewervelden die hij op de bosbodem zoekt. De vogel is vaak te vinden in kleine groepjes en staat bekend om zijn aanhoudende, hen-achtige roep tijdens het foerageren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Arborophila
Ringmaat
Man 8.0 mm Vrouw 8.0 mmWelzijnsadviezen
Hoenderachtigen
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje heeft een kastanjebruin verenkleed op borst en flanken, met een grijsachtige buik. De rug en vleugels zijn bruin met donkere vlekken en strepen. De keel is wit, omlijst door een brede zwarte band die als een duidelijke halsband rond de nek loopt - het kenmerk van de soort. De kruin en achterhals zijn donkerbruin, terwijl een witte wenkbrauwstreep en een zwarte oogstreep het gezicht contrasterend markeren. De snavel is zwart, de poten roodachtig en de iris bruinrood.
Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje, maar is vaak iets matter gekleurd en de halsband kan minder scherp omlijnd zijn. De borst is lichter kastanjebruin en de tekening minder contrastrijk. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Jonge vogels hebben een doffer bruin verenkleed zonder uitgesproken halsband. De borst is lichter en de koptekening is minder contrastrijk. De snavel is grijsachtig, de poten vleeskleurig en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met warmbruin dons met donkere strepen over rug en kop voor camouflage in de bosbodem. De onderzijde is lichter beige tot witachtig. De snavel is klein en grijsachtig, de poten vleeskleurig en de iris donker.