Hoorngoean

Oreophasis derbianus

Log in om deze soort toe te voegen

De Hoorngoean (synoniem: Gehoornde goean) behoort tot het geslacht Oreophasis binnen de familie van Hokkos, Goeans (Cracidae).

Deze zeldzame vogel komt voor in de nevelwouden en vochtige bergbossen van Zuid-Mexico en Zuid-Guatemala, op hoogtes tussen 1200 en 3350 meter. Hij leeft voornamelijk in altijd groene bossen met rijke ondergroei en vertoont solitair en schuw gedrag. De vogel voedt zich met vruchten en speelt een rol in het ecosysteem door zaadverspreiding.

Hoorngoean
Horned Guan
Zapfenguan
Oréophase cornu

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Sjakohoenders en hokko's (Cracidae)
Bird Genus
Oreophasis

Ringmaat

Man 20.0 mm Vrouw 20.0 mm

Welzijnsadviezen

Hokkos, Goeans

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.

  • Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
  • Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
  • Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
  • Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
  • Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen-Hokkos-Goeans

Man:
Het mannetje is een grote cracide van circa 85-95 cm lengte, met een stevige bouw en lange, afgeronde staart. Het verenkleed is grotendeels zwart, met een opvallende groenblauwe metaalglans op rug, vleugels en staart. De borst en buik zijn diepzwart, zonder tekening. De staart is lang, zwart met een groene glans, vaak met een lichtere eindzoom. Opvallend is de rode, kale hoornvormige uitgroei boven de snavel, die uniek is binnen de craciden en zowel bij rust als in display duidelijk zichtbaar is. De iris is donkerbruin, de snavel is hoornkleurig tot zwart, en de poten zijn grijs.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje maar is gemiddeld iets kleiner en slanker gebouwd. De metaalglans op rug en vleugels is doorgaans minder intens. De hoornuitgroei boven de snavel is aanwezig, maar vaak iets kleiner dan bij het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen hebben een matter, donkerbruin verenkleed zonder duidelijke metaalglans. De hoorn boven de snavel ontbreekt of is slechts rudimentair aanwezig. De borst en buik zijn bruinzwart in plaats van diepzwart. De snavel is donkergrijs, de iris bruin, en de poten vleeskleurig tot grijzig. Tijdens de rui naar volwassen kleed wordt het verenkleed geleidelijk zwarter en verschijnt de metaalglans.

Kuiken:
De kuikens zijn nestvlieders, bedekt met zacht, geelbruin dons met donkere vlekken en strepen die uitstekende camouflage bieden in het montane regenwoud. De onderzijde is vuilwit. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig, en de iris donker. De karakteristieke rode hoorn boven de snavel ontwikkelt zich pas veel later in de jeugdfase.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 307