Houtsnip

Scolopax rusticola

Log in om deze soort toe te voegen

De Houtsnip behoort tot het geslacht Scolopax uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).

Deze middelgrote vogel leeft vooral in vochtige naald- en loofbossen verspreid over Europa en delen van Azi�. Hij is nachtdier en voedt zich vooral met regenwormen en insecten, die hij met zijn lange snavel uit de zachte bodem pikt. Tijdens het broedseizoen vertoont hij kenmerkend baltsgedrag bij kaalkap en bosranden.

Houtsnip
Eurasian Woodcock
Waldschnepfe
B�casse des bois

Taxonomische indeling

Bird Order
Steltloperachtigen (Charadriiformes)
Bird Family
Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
Bird Genus
Scolopax

Ringmaat

Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mm

Welzijnsadviezen

Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's

De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
  • Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
  • Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Huisvestingsrichtlijnen Kluten en steltkluten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een middelgrote, plomp gebouwde snip van circa 33�35 cm lengte. Het verenkleed is uitstekend gecamoufleerd: de rug en vleugels zijn complex getekend met bruin, zwart, roestkleur en beige, waardoor een bladachtig patroon ontstaat. De kruin heeft brede donkere dwarsbanden die contrasteren met lichtere tussenruimten, een belangrijk veldkenmerk. De borst is lichtbruin met fijne streepjes, de buik vuilwit. De vleugels zijn breed en afgerond, wat de soort een kenmerkend silhouet geeft in vlucht. De snavel is lang, recht en vleeskleurig met een donkere punt. De poten zijn kort en grijsroze, de iris donkerbruin, hoog op het hoofd geplaatst, waardoor een groot gezichtsveld ontstaat.

Vrouw:
Het vrouwtje lijkt sterk op het mannetje en is in het veld nauwelijks te onderscheiden. Ze is gemiddeld iets groter, met een langere snavel. Het verenkleed en de tekening zijn identiek.

Juveniel:
Juvenielen hebben een vergelijkbaar verenkleed maar zijn matter en grijzer van toon, met minder contrastrijke tekening op rug en vleugels. De borst is vaalbruin met subtielere streepjes, de buik vuilwit. De snavel is korter en grijzer dan bij adulten, de poten bleker.

Kuiken:
Kuikens zijn klein en bedekt met zacht dons, warm kastanjebruin met donkere rugstrepen en een lichtere kruin. De onderzijde is vuilwit tot cr�me. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig, de ogen donker. Het lange snavelsilhouet en de complexe camouflage van de volwassen vogels ontwikkelen zich pas tijdens de eerste jeugdrui.