Vogel
Humboldtaalscholver
Humboldtaalscholver
Leucocarbo bougainvilliorum
Log in om deze soort toe te voegenDe Humboldtaalscholver behoort tot het geslacht Leucocarbo binnen de familie van Aalscholvers (Phalacrocoracidae).
Deze zeevogel komt voor langs de westkust van Zuid-Amerika, vooral in Peru en Chili, waar hij leeft in ondiepe kustwateren en rotsachtige gebieden. Hij voedt zich met vis en leeft in kolonies, waarbij hij vaak samen in groepen duikt om te jagen. Door veranderingen in zijn omgeving is de soort gevoelig geworden.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
- Bird Family
- Aalscholvers (Phalacrocoracidae)
- Bird Genus
- Leucocarbo
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Aalscholvers
Aalscholvers zijn visetende watervogels die veel tijd doorbrengen in en rond het water. In de avicultuur vragen zij om ruime waterpartijen, zitplaatsen om te drogen, en beschutte plekken om te rusten en broeden. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (40–60 m² per paar) met ≥ 50% wateroppervlak; waterdiepte 2–3 m; droog eiland of rotsen voor rust en drogen van veren.
- Klimaat: gematigde soorten buiten bij ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij bij > 10 °C; goede ventilatie zonder tocht.
- Sociaal: kolonievogels; groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte; tijdens broedseizoen extra ruimte of visuele afscheiding tussen paren.
- Voeding: verse of diepgevroren vis (haring, sprot, spiering, forel, sardine); aanvulling met vitaminen en mineralen; altijd vers drinkwater.
- Overig: schoon, doorstroomd water; stevige zitplaatsen of rotsen op verschillende hoogten; rustige omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een glanzend zwart verenkleed met een groene metallic glans op de rug. De kop en nek zijn donkerder met een subtiele paarse tint. De borst en buik zijn contrasterend wit, scherp afgebakend van de donkere bovenzijde. De vleugels hebben zwarte dekveren met een lichte iriserende glans. De snavel is geelachtig met een lichte kromming aan de punt. De poten zijn roze met een lichte schubachtige structuur. De iris is donkerbruin met een onopvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een minder glanzend verenkleed dan de man, met een matte zwarte bovenzijde. De kop en nek zijn donkergrijs, zonder de paarse tint van de man. De borst en buik zijn eveneens wit, maar met een vage grijze waas. De vleugels zijn donker met minder uitgesproken glans dan bij de man. De snavel is iets korter en bleker geel. De poten zijn lichtroze met een fijnere structuur. De iris is bruin met een subtiele oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een overwegend bruine bovenzijde. De kop en nek zijn lichtbruin met een vage streepjespatroon. De borst en buik zijn vuilwit met een grijze tint. De vleugels zijn bruin met een lichte rand aan de dekveren. De snavel is grijsachtig met een gele basis. De poten zijn grijsroze met een gladde textuur. De iris is donkergrijs zonder opvallende oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig grijs verenkleed. De snavel en poten zijn lichtgrijs van kleur.