Iberische patrijs

Perdix perdix hispaniensis

Log in om deze soort toe te voegen

De Iberische patrijs behoort tot het geslacht Perdix binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

De Iberische patrijs, een ondersoort van de patrijs, is een kleine, gedrongen vogel die voorkomt in het noorden van Spanje en het noordoosten van Portugal. Hij bevorst berggebieden met dicht struikgewas, afgewisseld door kruidenrijke vegetaties, die vaak beheerd worden door begrazing of gecontroleerd afbranden. Deze vogels leven voornamelijk van zaden, granen en insecten. Ze zijn monogaam en leggen grote legsels van tot wel 17 eieren in een ondiep kuiltje onder vegetatie.

Iberische patrijs
Grey Partridge (hispaniensis)
Iberisches Rebhuhn
Perdrix grise (hispaniensis)

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Perdix

Ringmaat

Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje is een middelgrote patrijs van circa 28�32 cm lengte. Het verenkleed is compact en warm getint. De kop is kastanjebruin met een duidelijke roestbruine oogstreep en een grijs voorhoofd. De keel is wit, scherp omlijst door een zwarte band. De borst is lichtgrijs, de buik vuilwit met centraal een kastanjebruine hoefijzervormige vlek, die typisch is voor volwassen mannetjes. Rug en vleugels zijn bruin tot zandbruin met kastanjebruine en beige bandering, terwijl de flanken brede kastanjebruine strepen tonen, afgewisseld met wit. De staart is kort en kastanjebruin. De snavel is stevig, hoornkleurig grijs; de poten zijn vleeskleurig tot oranje en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is zeer gelijkend maar doorgaans iets kleiner en doffer gekleurd. De koptekening is minder contrastrijk, de keelband smaller of onduidelijker. De buik is lichter en de hoefijzervormige vlek ontbreekt vaak of is slechts vaag aanwezig. De snavel, poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juvenielen hebben een gelijkmatig zandbruin verenkleed met fijne donkere stipjes en bandering, dat uitstekende camouflage biedt. De kop is egaal bruin zonder duidelijke oogstreep of keelband. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin, zonder hoefijzervlek. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Pas in het eerste winterkleed verschijnen de flankstrepen en de keelband.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen patroon met keelband, flankstrepen en hoefijzervlek verschijnt pas na de eerste rui.