Vogel
Jamaicaspecht
Jamaicaspecht
Melanerpes radiolatus
Log in om deze soort toe te voegenDe Jamaicaspecht behoort tot het geslacht Melanerpes binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze spechtensoort is endemisch op Jamaica en komt voor in diverse habitats, zoals bossen en tuinen. Ze voedt zich vooral met insecten en fruit en toont typisch spechtgedrag zoals het tikken op bomen om voedsel te vinden en te communiceren. De soort wordt als algemeen beschouwd en is niet bedreigd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Melanerpes
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een glanzend zwarte kop met een subtiele blauwe gloed. De nek en borst zijn helder wit, wat sterk contrasteert met de donkere kop. De vleugels vertonen een patroon van zwarte en witte strepen, met een opvallende glans. De buik is lichtgrijs met een zachte, matte textuur. De snavel is recht en zwart, met een lichte kromming aan de punt. De poten zijn donkergrijs en hebben een robuuste structuur. De iris is diepbruin, omringd door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een minder glanzende kop dan de man, met een meer doffe zwarte kleur. De nek en borst zijn eveneens wit, maar met een lichtgrijze tint. De vleugels hebben een vergelijkbaar streeppatroon, maar de glans is minder uitgesproken. De buik is iets donkerder grijs dan bij de man, met een matte afwerking. De snavel is iets korter en lichter van kleur, met een subtiele kromming. De poten zijn donkergrijs, maar iets slanker dan die van de man. De iris is bruin, met een iets bredere oogring dan bij de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffe, grijsbruine kop zonder de glans van volwassen vogels. De nek en borst zijn lichtgrijs, met een vage witte tint. De vleugels zijn minder contrastrijk, met een onduidelijk streeppatroon. De buik is egaal grijs, zonder de glans van volwassen exemplaren. De snavel is korter en lichter, met een nog niet volledig ontwikkelde kromming. De poten zijn lichtgrijs en slanker dan bij volwassen vogels. De iris is grijsbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een dunne, grijze donslaag. De snavel is kort en lichtgekleurd.