Jan-van-Gent

Morus bassanus

Log in om deze soort toe te voegen

De Jan-van-Gent behoort tot het geslacht Morus binnen de familie van Jan Van Genten (Sulidae).

De Jan-van-gent is een grote, voornamelijk witte zeevogel die vooral actief is in het noorden van de Atlantische Oceaan en de Noordzee, waar hij het hele jaar te zien is als doortrekker en wintergast, maar nooit broedt in Nederland. Deze soort houdt zich het liefst op volle zee en langs de kust op, vaak in de buurt van visrijke gebieden waar hij spectaculaire duiken maakt om vis te vangen. In grote broedkolonies op rots- en klifkusten van onder andere Groot-Brittanni�, Noorwegen en IJsland leven duizenden paren; buiten het broedseizoen verspreiden ze zich over de noordelijke zee�n. Hun voorkomen langs de Nederlandse kust is sterk afhankelijk van de beschikbaarheid van voedsel en de windrichting, met de grootste aantallen in het najaar bij aanlandige wind en een rijk aanbod aan vis, vooral jonge haring.

Jan-van-Gent
Northern Gannet
Basst�lpel
Fou de Bassan

Taxonomische indeling

Bird Order
Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
Bird Family
Genten (Sulidae)
Bird Genus
Morus

Ringmaat

Man 20.0 mm Vrouw 20.0 mm

Welzijnsadviezen

Jan Van Genten

Jan-van-Genten zijn grote zeevogels die leven langs kusten en eilanden, waar ze jagen op vis door spectaculaire duikvluchten. Ze zijn koloniebroeders die nestelen op kliffen of vlakke eilanden. In de avicultuur hebben ze behoefte aan ruime verblijven met open water, rotsachtige rustplaatsen en bescherming tegen harde wind. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver of bassin (80–100 m² per koppel); waterdiepte 50–100 cm; landgedeelte met rotsen of platforms; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
  • Klimaat: gematigd tot subtropisch; temperatuur 5–25 °C; bij vorst of langdurige regen beschut binnenhok; schaduw en frisse lucht belangrijk.
  • Sociaal: kolonievormend; in kleine groepen houden; tijdens broedtijd territoriaal rond nest; ruime zichtlijnen verminderen agressie.
  • Voeding: kleine vissoorten zoals sprot, haring of ansjovis; vis vers of ontdooid voeren; vitaminen en mineralen toevoegen; voer in of bij het water aanbieden.
  • Overig: zout- of brakwateromgeving bevordert verenkleed; dagelijkse controle van waterkwaliteit; broedplekken op klifachtige structuren of verhoogde zones; rustige ligging bevordert welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen Jan van Genten

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
De man heeft een helder witte kop en nek met een subtiele gele tint. De borst en buik zijn eveneens wit, wat contrasteert met de donkere vleugels. De vleugels hebben zwarte uiteinden en een lichte glans. De snavel is lang, recht en blauwgrijs met een zwarte lijn langs de rand. De poten zijn blauwgrijs en hebben een stevige structuur. De ogen zijn lichtblauw met een smalle, donkere oogring.

Vrouw:
De vrouw lijkt sterk op de man, maar heeft vaak een iets doffere gele tint op de kop. De vleugels zijn donker met een lichte glans en hebben zwarte uiteinden. De borst en buik zijn helder wit, zonder vlekken. De snavel is blauwgrijs met een zwarte lijn, iets korter dan bij de man. De poten zijn blauwgrijs en robuust. De ogen zijn lichtblauw met een donkere oogring, iets minder opvallend dan bij de man.

Juveniel:
Juvenielen hebben een donkerbruin verenkleed met witte vlekken verspreid over het lichaam. De kop en nek zijn donkerder dan de rest van het lichaam. De vleugels zijn bruin met lichtere randen, zonder glans. De snavel is donkergrijs en korter dan bij volwassenen. De poten zijn grijs en minder stevig. De ogen zijn donkerbruin met een onopvallende oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, wit dons. De snavel is kort en lichtgrijs van kleur.