Vogel
Jones zilverfazant
Jones zilverfazant
Lophura nycthemera jonesi
Log in om deze soort toe te voegenDe Jones zilverfazant (synoniem: Jones' Zilverfazant) behoort tot het geslacht Lophura binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogel komt voor in bossen en bergachtige gebieden van Myanmar, zuidwestelijk China en centraal Thailand. Hij leeft voornamelijk op de bosbodem, waar hij zoekt naar zaden, insecten en kleine dieren. Het is een redelijk schuwe soort die zich meestal in dichte vegetatie ophoudt en solitair of in kleine groepen leeft.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lophura
Ringmaat
Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mmWelzijnsadviezen
Fazanten
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote fazant van circa 75-85 cm lengte, waarvan de staart meer dan de helft van de lichaamslengte kan uitmaken. Het verenkleed is opvallend contrastrijk: de kop, hals, borst en onderzijde zijn diep zwart met een blauwgroene glans, terwijl de rug en bovenvleugeldekveren wit zijn met fijne zwarte golflijnen. De staart is lang, zuiver wit met subtiele zwarte lijntjes aan de buitenste pennen. De kuif op de kop is kort, zwart en glanzend. Rond het oog bevindt zich een kale, helder rode huidzone die contrasterend afsteekt tegen de zwarte kop. De snavel is hoornkleurig tot lichtgrijs, de poten robijnrood en voorzien van een spoor, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is veel kleiner en heeft een geheel ander, gecamoufleerd verenkleed. Zij is overwegend bruin tot olijfbruin met fijne donkere bandering en lichte schubtekening. De borst en buik zijn lichtbruin tot beige, de rug donkerder met subtiele patronen. De staart is korter, bruin met fijne dwarsbandering. De kale rode ooghuid is aanwezig maar valer en kleiner van omvang dan bij het mannetje. De snavel is grijsbruin, de poten roodachtig maar slanker en meestal zonder spoor, en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, met een bruin verenkleed voorzien van lichte en donkere bandering. De borst en buik zijn lichtbeige met fijne donkere stippen, de staart kort en eenvoudig gebandeerd. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekrood en de iris zeer donker. Jonge mannetjes ontwikkelen geleidelijk hun contrastrijke zwart-witte verenkleed en langere staart tijdens het eerste jaar.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons met brede donkere lengtestrepen over rug en kop, een typisch camouflagepatroon voor bodembroeders. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het duidelijke verschil tussen de geslachten wordt pas zichtbaar na de eerste rui.