Vogel
Kaapse Jan-van-Gent
Kaapse Jan-van-Gent
Morus capensis
Log in om deze soort toe te voegenDe Kaapse Jan-van-Gent behoort tot het geslacht Morus binnen de familie van Jan Van Genten (Sulidae).
Deze zeevogel komt uitsluitend voor langs de kusten van Namibi� en Zuid-Afrika en broedt in grote, dichte kolonies op zes eilanden. Hij jaagt voornamelijk op pelagische vissen dicht bij de kust en binnen het continentaal plat. De soort is sociaal, nestelt op onbedekte grond en beide ouders verzorgen het jonge, dat meestal ��n ei uitbroedt en ruim drie maanden wordt grootgebracht. Buiten het broedseizoen blijven veel vogels binnen 500 km van hun kolonie, maar jonge vogels kunnen lange migraties maken.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
- Bird Family
- Genten (Sulidae)
- Bird Genus
- Morus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Jan Van Genten
Jan-van-Genten zijn grote zeevogels die leven langs kusten en eilanden, waar ze jagen op vis door spectaculaire duikvluchten. Ze zijn koloniebroeders die nestelen op kliffen of vlakke eilanden. In de avicultuur hebben ze behoefte aan ruime verblijven met open water, rotsachtige rustplaatsen en bescherming tegen harde wind. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver of bassin (80–100 m² per koppel); waterdiepte 50–100 cm; landgedeelte met rotsen of platforms; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: gematigd tot subtropisch; temperatuur 5–25 °C; bij vorst of langdurige regen beschut binnenhok; schaduw en frisse lucht belangrijk.
- Sociaal: kolonievormend; in kleine groepen houden; tijdens broedtijd territoriaal rond nest; ruime zichtlijnen verminderen agressie.
- Voeding: kleine vissoorten zoals sprot, haring of ansjovis; vis vers of ontdooid voeren; vitaminen en mineralen toevoegen; voer in of bij het water aanbieden.
- Overig: zout- of brakwateromgeving bevordert verenkleed; dagelijkse controle van waterkwaliteit; broedplekken op klifachtige structuren of verhoogde zones; rustige ligging bevordert welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
De man heeft een helderwitte kop en nek met een subtiele gele tint. De borst en buik zijn eveneens wit, met een lichte glans. De vleugels zijn donkerder, met zwarte slagpennen en witte dekveren. De staart is wigvormig en overwegend wit met zwarte uiteinden. De snavel is lang en kegelvormig, met een grijsblauwe kleur en een zwarte punt. De poten zijn blauwgrijs en hebben een robuuste structuur. De ogen zijn lichtblauw met een smalle, donkere oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met een iets doffere uitstraling. De kop en nek zijn wit met een subtiele gele gloed, minder uitgesproken dan bij de man. De vleugels vertonen dezelfde zwart-witte contrasten, maar de dekveren zijn minder glanzend. De snavel is eveneens grijsblauw, maar iets korter en dikker. De poten zijn blauwgrijs, met een iets fijnere structuur dan bij de man. De ogen zijn lichtblauw, omringd door een iets bredere donkere oogring. De staart is wit met zwarte uiteinden, maar iets korter.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met lichtere vlekken op de borst en buik. De kop en nek zijn donkerder bruin, met een vage witte streep boven de ogen. De vleugels zijn donkerbruin met lichtere randen, die versleten kunnen lijken. De snavel is korter en donkergrijs, met een lichtere basis. De poten zijn grijsbruin en minder robuust dan bij volwassenen. De ogen zijn donkerbruin, zonder duidelijke oogring. De staart is bruin met lichtere uiteinden, korter dan bij volwassenen.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig wit verenkleed, dat na verloop van tijd donkerder wordt. De snavel is kort en lichtgrijs, met een zachte structuur.