Kaukasisch berghoen

Tetraogallus caucasicus

Log in om deze soort toe te voegen

De Kaukasisch berghoen (synoniem: Kaukasisch koningshoen) behoort tot het geslacht Tetraogallus binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogelsoort komt voor in de ruige, stenige hooglanden van het Grote Kaukasusgebergte in Georgi�, Azerbeidzjan en Rusland, op hoogtes van 2000 tot 4000 meter. Ze leeft in alpine en subalpiene gebieden en is overdag actief. Buiten het broedseizoen vormen ze kleine groepen en zijn ze erg schuw en terughoudend in gedrag.

Kaukasisch berghoen
Caucasian Snowcock
Kaukasusk�nigshuhn
T�traogalle du Caucase

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Tetraogallus

Ringmaat

Man 14.0 mm Vrouw 14.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een forse hoenderachtige van circa 50�55 cm lengte. Het verenkleed is overwegend grijsbruin, zeer geschikt als camouflage in bergachtig terrein. De kop is lichtgrijs met een duidelijke witte wenkbrauwstreep boven het oog en een zwarte oogstreep die tot in de oorstreek doorloopt. De keel is wit, scherp afgegrensd door een zwarte halsband die contrasterend uitloopt naar de borst. De borst is lichtgrijs, de buik vuilwit en de flanken vertonen brede, kastanjebruine en zwarte strepen. De rug en vleugels zijn bruinachtig grijs met donkere bandering; de slagpennen zijn donkerbruin. De staart is middengrijs met een donkere eindband. De snavel is krachtig, hoornkleurig tot oranjerood, de poten vleeskleurig tot oranjerood en voorzien van korte sporen, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer getekend. De koptekening is minder contrastrijk, met een smallere wenkbrauwstreep en een zwakkere oogstreep. De zwarte halsband is vaak smaller of onderbroken. De borst en flanken zijn lichter grijsbruin met een fijner en minder scherp patroon. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten missen meestal duidelijk ontwikkelde sporen.

Juveniel:
Juvenielen zijn egaler bruin van kleur en missen de uitgesproken kop- en halsbandtekening. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin, de flanken slechts zwak gestreept. De kop is uniform bruin zonder duidelijke wenkbrauw- of oogstreep. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zeer donker. Met de eerste rui verschijnen de kenmerkende kopcontrasten en flankstrepen.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, ideaal voor camouflage in rotsig berggebied. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. De karakteristieke patronen ontwikkelen zich pas na de eerste rui.