Vogel
Kleine bosral
Kleine bosral
Aramides mangle
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine bosral behoort tot het geslacht Aramides binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).
Deze middelgrote, kleurrijke vogel komt voor in mangrovebossen en meren langs de kust van Brazili�. Ze verblijft ook in droge gebieden zoals de caatinga. De vogel is voornamelijk actief in dicht struikgewas, waar hij zich stil en goed verborgen houdt, wat typisch is voor leden van de ral-familie.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
- Bird Family
- Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
- Bird Genus
- Aramides
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Rallen en koeten
Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
- Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
- Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
- Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Man:
De man heeft een olijfgroen verenkleed met een subtiele bronzen glans op de vleugels. De kop is donkerder met een grijsachtige tint, die contrasteert met de lichtere nek. De borst is egaal grijs, terwijl de buik een meer kaneelkleurige tint vertoont. De vleugeldekveren zijn donkerder met een lichte rand, wat een versleten uiterlijk kan geven. De snavel is recht en geelgroen, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn roodachtig met een gladde textuur. De iris is helder rood, omgeven door een dunne, donkere oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder uitgesproken glans. De kop en nek zijn iets lichter, met een subtiele bruine tint. De borst en buik zijn uniform grijsbruin, zonder duidelijke contrasten. De vleugels hebben een matte afwerking met minder zichtbare randen. De snavel is iets korter en heeft een meer groenachtige tint. De poten zijn donkerder rood, met een iets ruwere structuur. De iris is donkerder rood, met een minder opvallende oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een overwegend bruinachtige tint. De kop en nek zijn lichter, met een vage streepjespatroon. De borst is grijsbruin, terwijl de buik een meer beige kleur heeft. De vleugels zijn minder glanzend en hebben een onregelmatige rand. De snavel is korter en grijsgroen, zonder wasachtige basis. De poten zijn bleekroze met een gladde textuur. De iris is donkerbruin, met een nauwelijks zichtbare oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, donzig verenkleed dat overwegend grijs is. De snavel en poten zijn lichtgeel, zonder opvallende kenmerken.