Kleine flamingo

Phoeniconaias minor

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleine flamingo (synoniem: Dwergflamingo) behoort tot het geslacht Phoeniconaias binnen de familie van Flamingo's (Phoenicopteridae).

De kleine flamingo is een opvallende waadvogel die vooral voorkomt in Afrika, zowel in het zuiden als rond de grote zoutmeren in Oost-Afrika, en incidenteel ook in het westen van India. Deze vogel leeft in grote, vaak uitgestrekte kolonies van duizenden exemplaren bij zout- en sodameren, waar hij 's nachts foerageert op microscopisch kleine blauwwieren, kiezelalgen en pekelkreeftjes, dankzij een gespecialiseerde snavel waarmee hij deze voedselbronnen uit het water filtert. De kleine flamingo is een sociale trekvogel die zich, afhankelijk van het voedselaanbod en omstandigheden, over grote afstanden verplaatst, en voornamelijk aangetroffen wordt in ondiepe, alkalische wateren, waar hij een karakteristiek roze-achtig verenkleed bezit met zwarte vleugelpunten.

Kleine flamingo
Lesser Flamingo
Zwergflamingo
Flamant nain

Taxonomische indeling

Bird Order
Flamingo's (Phoenicopteriformes)
Bird Family
Flamingo's (Phoenicopteridae)
Bird Genus
Phoeniconaias

Ringmaat

Man 16.0 mm Vrouw 16.0 mm

Welzijnsadviezen

Flamingo's

Flamingo’s zijn koloniebroedende watervogels die in ondiepe meren, lagunes en zoutmoerassen leven. In de avicultuur hebben ze behoefte aan ruime water- en landzones, groepshuisvesting, en mogelijkheden om natuurlijk broedgedrag te vertonen. Om de Flamingo's op een verantwoorde en diervriendelijke manier te verzorgen, delen wij hieronder de belangrijkste aanbevolen welzijnsrichtlijnen.

  • Huisvesting: buitenverblijf met ondiep water (20–50 cm diep) en zand- of kleibodem; ± 100 m² per 10–15 vogels; zachte oever en binnenverblijf van 2–3 m² per vogel bij kou (>10 °C).
  • Klimaat: redelijk koudetolerant; beschutting bij vorst of regen; tropische soorten vorstvrij en verwarmd in winter; schaduw en schoon water in zomer.
  • Sociaal: kolonievogels; groepshuisvesting met ≥ 10 dieren; nestplaatsen van klei/modder nabij water; rustig, ruim verblijf bevordert broedgedrag.
  • Voeding: flamingovoer of watervogelvoer met carotenoïden; aanvullen met algen, schaaldieren, garnalen en plantaardig materiaal; altijd schoon, ondiep water.
  • Overig: goede waterkwaliteit door verversing of doorstroming; eilanden of zandbanken als rust- en broedplaatsen; hygiënische omstandigheden ter preventie van pootproblemen.
Huisvestingsrichtlijnen flamingos

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Deze vogel valt onder bijlage B en wordt niet als direct bedreigd beschouwd, maar staat wel onder bescherming om te voorkomen dat handel de populaties schaadt. In de avicultuur is het toegestaan deze soort te houden en te kweken, mits de legale herkomst duidelijk kan worden aangetoond. Bij overdracht of verkoop moet altijd een overdrachtsverklaring of registratie aanwezig zijn. Hierdoor kan bij controles worden bewezen dat de vogel afkomstig is uit legale kweek en niet uit de natuur is onttrokken.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Mag in avicultuur worden gehouden en gekweekt.
  • Handel en overdracht alleen toegestaan met overdrachtsverklaring of registratie.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd aantoonbaar zijn.
  • Minder streng dan bijlage A, maar wel documentatieplicht.

Man:
Het verenkleed is overwegend lichtroze met een subtiele glans. De vleugels hebben zwarte slagpennen die sterk contrasteren met de rest van het lichaam. De nek is slanker en iets donkerder roze dan de borst. De snavel is lang en gebogen, met een zwarte punt en een lichtroze basis. De poten zijn donkergrijs met een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omgeven door een smalle, onopvallende oogring. Tijdens het broedseizoen kan de roze kleur intenser worden.

Vrouw:
Het verenkleed is vergelijkbaar met dat van de man, maar iets minder intens roze. De vleugels vertonen dezelfde zwarte slagpennen, maar de contrasten zijn iets minder uitgesproken. De nek en borst zijn egaal roze, zonder duidelijke kleurverschillen. De snavel is eveneens lang en gebogen, met een vergelijkbare kleuring als bij de man. De poten zijn lichtgrijs en hebben een iets ruwere textuur. De iris is donkerbruin, met een subtiele oogring. Tijdens het broedseizoen blijft de kleur overwegend constant.

Juveniel:
Het verenkleed is bleker en meer grijsachtig dan bij volwassen vogels. De vleugels hebben nog niet de kenmerkende zwarte slagpennen. De nek en borst zijn lichtgrijs met een vleugje roze. De snavel is korter en recht, met een grijze basis en een donkere punt. De poten zijn lichtgrijs en hebben een gladde textuur. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen ze geleidelijk de volwassen kleuring.

Kuiken:
Het verenkleed is donzig en witgrijs, zonder roze tinten. De snavel is kort en recht, volledig grijs.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 188
  • Tijdschrift 189
  • Tijdschrift 190
  • Tijdschrift 203