Vogel
Kleine zilverreiger
Kleine zilverreiger
Egretta garzetta
Log in om deze soort toe te voegenDe Kleine zilverreiger behoort tot het geslacht Egretta binnen de familie van Reigers (Ardeidae).
Deze slanke, witte watervogel komt voor in Europa, Afrika, Azië en delen van Australië, waar ze diverse wetlands bewonen zoals meren, rivieren, moerassen en kustgebieden. Vaak foerageren ze solitair of in kleine groepjes, waarbij ze jagen op vis, kreeftachtigen en insecten met diverse technieken. Ze broeden kolonievormend in bomen of struiken nabij water, waarbij beide ouders meewerken aan het uitbroeden van de eieren.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Pelikanen, Reigerachtigen, Ibissen en Lepelaars (Pelecaniformes)
- Bird Family
- Reigers (Ardeidae)
- Bird Genus
- Egretta
Ringmaat
Man 11.0 mm Vrouw 11.0 mmWelzijnsadviezen
Reigers
Reigers zijn wadvogels die voorkomen in waterrijke gebieden met ondiep water, moerassen en rietvelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met voldoende water, visrijke voeding en veilige rustplaatsen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (10–40 cm) en zacht aflopende oevers met gras, zand of riet; hoge zitplaatsen (takken, platforms) voor rust; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: gematigde soorten winterhard op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven solitair of in losse kolonies; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en visuele afscheiding nodig; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: verse of diepgevroren vis (haring, sprot, voorn, forel); aanvullen met insecten, garnalen, mosselen of watervogelpellets; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; beschutting voor schuwe soorten; scherpe randen vermijden om verenkleed te beschermen.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het verenkleed is overwegend helderwit met een zijdeachtige glans. De lange sierveren op de rug en borst zijn opvallend tijdens het broedseizoen. De snavel is slank, recht en zwart van kleur. De poten zijn zwart met gele tenen, wat een sterk contrast vormt. De iris is geel, wat opvalt tegen de donkere oogring. De kop is relatief klein met een lange, slanke nek. Tijdens de winter kan de glans van de veren iets doffer lijken.
Vrouw:
Het verenkleed is eveneens helderwit, maar de sierveren zijn minder prominent dan bij de man. De snavel is zwart en iets korter dan die van de man. De poten zijn zwart met gele tenen, vergelijkbaar met de man. De iris is geel, maar de oogring is minder uitgesproken. De nek is lang en slank, passend bij de elegante lichaamsbouw. Tijdens het broedseizoen kunnen de sierveren iets meer opvallen. De algehele uitstraling is iets minder opvallend dan die van de man.
Juveniel:
Het verenkleed is dof wit zonder de glans van volwassen vogels. De snavel is grijsachtig met een lichtere basis. De poten zijn grijs met een gelige tint aan de tenen. De iris is bleekgeel, wat minder contrasterend is. De veren zijn vaak iets versleten, vooral aan de vleugelranden. De kop en nek zijn korter en dikker dan bij volwassenen. De algehele verschijning is minder verfijnd en meer gedrongen.
Kuiken:
Het verenkleed is pluizig en wit, zonder enige glans. De snavel en poten zijn lichtgrijs van kleur.