Kleine zwaan

Cygnus columbianus bewickii

Log in om deze soort toe te voegen

De Kleine zwaan (Synoniem: Kleine wilde zwaan) behoort tot het geslacht Cygnus binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).

Deze kleine fluitende zwaan is een karakteristieke, witte trekvogel die in taiga- en tundragebieden broedt. In de wintermaanden migrateert hij naar de zuidelijke delen van Europa en andere warmere regio's. In zijn habitat is hij een sociale vogel die vaak in groepen leeft, en hij is te vinden in diverse natte gebieden zoals moerassen en kustgebieden. Zijn voeding bestaat voornamelijk uit grassen en andere planten.

Kleine zwaan
Bewick's Swan
Kleine Singschwan
Cygne de Bewick

Taxonomische indeling

Bird Order
Eendachtigen (Anseriformes)
Bird Family
Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
Bird Genus
Cygnus

Ringmaat

Man 24.0 mm Vrouw 24.0 mm

Welzijnsadviezen

Watervogels

Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
  • Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
  • Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
  • Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
  • Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Huisvestingsrichtlijnen watervogels

Wetgeving(en)

EU verordening bijlage B (CITES appendix II)

Europese soort (EG richtlijn)

Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.

De belangrijkste vereisten zijn:

  • Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
  • Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
  • Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
  • Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.

Man:
Het mannetje heeft een overwegend wit verenkleed met een relatief korte nek in vergelijking met andere zwanen. De snavel is zwart met een variabele gele vlek aan de basis, die meestal kleiner is dan bij de fluitzwaan. De kop is rond en de nek slank. De poten zijn zwart en de iris donkerbruin. Mannetjes zijn iets groter dan vrouwtjes, maar in het veld nauwelijks te onderscheiden.

Vrouw:
Het vrouwtje is qua verenkleed vrijwel identiek aan het mannetje, maar doorgaans kleiner en lichter gebouwd. De snaveltekening is gelijk, hoewel de gele vlek vaak iets kleiner kan zijn. De poten en iris zijn identiek aan die van het mannetje.

Juveniel:
Juveniele vogels hebben een grijsbruin verenkleed met een vuilwitte onderzijde. De kop en nek zijn grijzer, en de snavel is rozegrijs met een donkere punt in plaats van zwart-geel. De poten zijn grijs en de iris donker. Na de eerste winter krijgen ze geleidelijk het volwassen witte kleed.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met lichtgrijs dons aan de bovenzijde en een vuilwitte onderzijde. De snavel is klein en grijszwart, de poten vleeskleurig tot grijs, en de iris donker.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 258
  • Tijdschrift 226