Vogel
Leljacana
Leljacana
Jacana jacana
Log in om deze soort toe te voegenDe Leljacana behoort tot het geslacht Jacana binnen de familie van Jacana's (Jacanidae).
Deze vogel komt voor in moerasachtige gebieden met drijvende vegetatie, zoals meren en rivieroeverzones in Panama en het noordoosten van Zuid-Amerika. Hij beweegt zich behendig voort op waterplanten dankzij zijn lange tenen, waar hij op insecten, kleine waterdieren en zaden jaagt. Het is een sociaal en territoriaal soort die vaak in broedgroepen leeft.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Jacana's (Jacanidae)
- Bird Genus
- Jacana
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Jacana's
Jacana’s zijn tropische moerasvogels met opvallend lange tenen waarmee ze over drijvende waterplanten lopen. Ze leven in warme, vochtige gebieden en voeden zich met insecten en zaden. In de avicultuur hebben Jacana’s behoefte aan ondiep water met drijvende planten, warme temperaturen en een rustige omgeving. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: vijververblijf met drijvende vegetatie (30–40 m² per koppel); waterdiepte 10–30 cm; oeverzones met modder en gras; binnenverblijf ± 2 m² per vogel, vochtig en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch/subtropisch; temperatuur 22–30 °C; bij < 18 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 70–90%; schaduw en beschutting tegen zon.
- Sociaal: te houden per koppel of kleine groep; tijdens broedtijd territoriaal; rustige, natuurlijke omgeving vermindert stress.
- Voeding: insecten, larven, weekdieren en zaden; aanvullen met watervogelvoer, meelwormen en zacht fruit; altijd ondiep, schoon water beschikbaar.
- Overig: drijvende planten essentieel voor natuurlijk gedrag; water regelmatig verversen; broednest op drijvende planten of lage platformen; rust tijdens broedperiode cruciaal.
Man:
De man heeft een glanzend kastanjebruin verenkleed met een opvallend zwarte kop en nek. De vleugels zijn olijfgroen met een lichte iriserende glans, die in de zon opvalt. De borst en buik zijn egaal kastanjebruin, zonder zichtbare vlekken of bandering. De snavel is geel met een rode basis, en de naakte huid rond de ogen is felgeel. De poten zijn lang en grijs, met een lichtgroene tint. De iris is donkerbruin, wat contrasteert met de lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met subtiele verschillen in tint. Haar kastanjebruin is iets dieper, en de vleugels hebben een minder uitgesproken glans. De zwarte kop en nek zijn identiek, maar de borst kan een iets lichtere tint hebben. De snavel en naakte huid zijn gelijk aan die van de man, maar de rode basis is vaak minder intens. De poten zijn eveneens grijs, maar met een iets donkerdere schaduw. De iris en oogring zijn identiek aan die van de man.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met een meer bruingrijze tint op de kop en nek. De vleugels zijn minder glanzend en hebben een vaag olijfgroene schijn. De borst en buik zijn lichter, met een vage bandering die bij volwassenen ontbreekt. De snavel is bleker geel, met een minder uitgesproken rode basis. De poten zijn lichtgrijs, met een subtiele groene tint. De iris is donker, maar de oogring is minder opvallend.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, donzig verenkleed dat voornamelijk lichtbruin is. Hun snavel en poten zijn bleekgeel, zonder opvallende kenmerken.