Vogel
Magelhaenaalscholver
Magelhaenaalscholver
Leucocarbo magellanicus
Log in om deze soort toe te voegenDe Magelhaenaalscholver behoort tot het geslacht Leucocarbo binnen de familie van Aalscholvers (Phalacrocoracidae).
Deze vogel komt voor langs de kusten van Zuid-Amerika, met name in Chili, Argentini� en op de Falklandeilanden. Hij leeft vooral in rotsachtige kustgebieden, eilandjes en kliffen, waar hij zijn nest bouwt. Het is een uitstekende duiker die zich voedt met vis en invertebraten, die hij onder water vangt. Vaak is hij te zien in kolonies, waar hij sociaal gedrag vertoont en samen met soortgenoten broedt. De vogel is goed aangepast aan het koude klimaat en overleeft de strenge winters door zijn dikke verenkleed en effici�nte voedingsstrategie.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
- Bird Family
- Aalscholvers (Phalacrocoracidae)
- Bird Genus
- Leucocarbo
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Aalscholvers
Aalscholvers zijn visetende watervogels die veel tijd doorbrengen in en rond het water. In de avicultuur vragen zij om ruime waterpartijen, zitplaatsen om te drogen, en beschutte plekken om te rusten en broeden. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (40–60 m² per paar) met ≥ 50% wateroppervlak; waterdiepte 2–3 m; droog eiland of rotsen voor rust en drogen van veren.
- Klimaat: gematigde soorten buiten bij ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij bij > 10 °C; goede ventilatie zonder tocht.
- Sociaal: kolonievogels; groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte; tijdens broedseizoen extra ruimte of visuele afscheiding tussen paren.
- Voeding: verse of diepgevroren vis (haring, sprot, spiering, forel, sardine); aanvulling met vitaminen en mineralen; altijd vers drinkwater.
- Overig: schoon, doorstroomd water; stevige zitplaatsen of rotsen op verschillende hoogten; rustige omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een glanzend zwart verenkleed op de rug en vleugels. De borst en buik zijn helder wit, wat een sterk contrast vormt met de donkere bovenzijde. De kop is zwart met een subtiele groene glans, vooral zichtbaar in direct zonlicht. De snavel is stevig en geelachtig met een lichte kromming aan het uiteinde. De poten zijn roze met een lichte schubachtige textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een smalle, onopvallende oogring. Tijdens het broedseizoen kan de glans op de veren intenser worden.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar verenkleed als de man, maar met minder glans op de rug. De witte borst en buik zijn even helder, maar de overgang naar de donkere delen is minder scherp. De kop heeft een matte zwarte kleur zonder de groene glans. De snavel is iets slanker en lichter van kleur dan die van de man. De poten zijn eveneens roze, maar iets minder opvallend. De iris is donkerbruin, met een subtiele oogring die nauwelijks zichtbaar is. Tijdens het broedseizoen blijft het verenkleed grotendeels onveranderd.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffer verenkleed met bruine tinten op de rug en vleugels. De borst en buik zijn vuilwit, met een geleidelijke overgang naar de donkere bovenzijde. De kop is bruinachtig zonder glans, wat hen onderscheidt van volwassen vogels. De snavel is grijsachtig en minder gebogen dan bij volwassenen. De poten zijn grijsroze en minder robuust. De iris is donkergrijs, zonder duidelijke oogring. Naarmate ze ouder worden, ontwikkelen ze meer contrast in hun verenkleed.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een zacht, grijs dons dat hen goed camoufleert. Hun snavel en poten zijn lichtgrijs en nog niet volledig ontwikkeld.