Vogel
Mantsjoerijse woudaap
Mantsjoerijse woudaap
Botaurus eurhythmus
Log in om deze soort toe te voegenDe Mantsjoerijse woudaap behoort tot het geslacht Botaurus binnen de familie van Reigers (Ardeidae).
Deze kleine reigersoort leeft in dichte rietmoerassen, waar hij tijdens de broedperiode voorkomt in China, Siberi� en Japan, en in de winter naar Zuidoost-Azi� zoals Indonesi�, de Filippijnen, Singapore en Laos trekt. Hij is vooral actief rond de schemering, wanneer hij vanuit zijn schuilplaats in het riet op zoek gaat naar voedsel. De vogel is verborgen van aard, maar leeft wijdverspreid in zijn leefgebied zonder directe bedreigingen voor de populatie.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Pelikanen, Reigerachtigen, Ibissen en Lepelaars (Pelecaniformes)
- Bird Family
- Reigers (Ardeidae)
- Bird Genus
- Botaurus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Reigers
Reigers zijn wadvogels die voorkomen in waterrijke gebieden met ondiep water, moerassen en rietvelden. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met voldoende water, visrijke voeding en veilige rustplaatsen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (10–40 cm) en zacht aflopende oevers met gras, zand of riet; hoge zitplaatsen (takken, platforms) voor rust; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: gematigde soorten winterhard op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven solitair of in losse kolonies; tijdens broedperiode territoriaal – voldoende ruimte en visuele afscheiding nodig; rustige omgeving bevordert natuurlijk gedrag.
- Voeding: verse of diepgevroren vis (haring, sprot, voorn, forel); aanvullen met insecten, garnalen, mosselen of watervogelpellets; in kweek extra dierlijk eiwit en kalk; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: waterkwaliteit waarborgen door regelmatige verversing of doorstroming; beschutting voor schuwe soorten; scherpe randen vermijden om verenkleed te beschermen.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
De man heeft een opvallend gestreept verenkleed met een mengeling van bruine en beige tinten. De kop is donkerder met een duidelijke streep over de kruin. De nek vertoont een lichtere kleur met fijne streepjes die naar de borst toe breder worden. De vleugels zijn rijk aan donkere vlekken en hebben een lichte rand. De snavel is lang en geelachtig met een subtiele kromming. De poten zijn groenachtig met een gladde textuur. De iris is geel met een dunne, donkere oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar gestreept patroon, maar de kleuren zijn over het algemeen doffer. De kop is minder contrastrijk, met een zachtere overgang naar de nek. De borst heeft bredere strepen die minder scherp afsteken. De vleugels zijn iets lichter met minder uitgesproken vlekken. De snavel is iets korter en heeft een meer grijsachtige tint. De poten zijn gelig met een iets ruwere structuur. De iris is lichtgeel met een subtiele oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een egaler bruin verenkleed met minder uitgesproken strepen. De kop is uniform van kleur met een vage streep over de kruin. De nek en borst zijn lichtbruin met een subtiele streepjespatroon. De vleugels zijn effen met een lichte rand aan de uiteinden. De snavel is korter en heeft een blekere kleur dan bij volwassenen. De poten zijn geelachtig met een gladde textuur. De iris is bleekgeel zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, lichtbruin verenkleed. De snavel is kort en geelachtig van kleur.