Vogel
Nepalfazant
Nepalfazant
Lophura leucomelanos
Log in om deze soort toe te voegenDe Nepalfazant (synoniem: Kalijfazant) behoort tot het geslacht Lophura binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).
Deze vogelsoort komt voor in bossen en struikgewas, vooral in de uitlopers van de Himalaya van Nepal tot West-Thailand. Hij leeft in zowel altijd groene als loofbossen, met een voorkeur voor dichte ondergroei. De vogel is niet migrerend en voedt zich met zaden, insecten en bessen. Hij is vaak in kleine groepen te vinden en is vooral actief in de schemering en vroege ochtend.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Hoenderachtigen (Galliformes)
- Bird Family
- Fazantachtigen (Phasianidae)
- Bird Genus
- Lophura
Ringmaat
Man 12.0 mm Vrouw 12.0 mmWelzijnsadviezen
Fazanten
Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, hokko’s en ruigpoothoenders. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Ze vragen om ruime, veilige en goed ingerichte verblijven met aandacht voor beschutting en afzondering, sociaal gedrag en een natuurlijke bodembedekking. De volgende hoofdpunten worden door Aviornis als welzijnsadviezen aanbevolen.
- Huisvesting: ruime volière (4–18 m² per paar, minimaal 1,80m hoog) voorzien van struiken / bomen / lage vegetatie en/of andere elementen om zich achter terug te trekken.
- Klimaat: de meeste soorten zijn winterhard, maar moeten beschikken over een droge en tochtvrije omgeving. Niet winterharde soorten moeten beschikken over een vorstvrij binnenverblijf.
- Sociaal: houden volgens soort specifieke structuur.
- Voeding: Fazantenvoer of volledig pluimveevoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit/bessen en insecten; altijd vers drinkwater en grit.
- Overig: een droge, goed doorlatende bodem; geschikte bodembedekking; visuele afscheiding tussen koppels; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Man:
Het mannetje is een middelgrote, sierlijke fazant van circa 70-75 cm lengte. Het verenkleed is overwegend glanzend zwart met een blauwgroene metallic weerschijn op borst, rug en vleugeldekveren. De kuif op de kop is lang, glanzend zwart en naar achteren gebogen. De staart is vrij lang, zwart met een groene glans en afgerond. Rond het oog bevindt zich een kale, helder rode huidzone die contrasterend afsteekt tegen de donkere kop. De snavel is hoornkleurig tot grijs, de poten zijn robijnrood met sporen, en de iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is aanzienlijk kleiner en minder contrastrijk van kleur. Haar verenkleed is bruin tot kastanjebruin met fijne donkere bandering en lichtere schubtekening, waardoor camouflage in dicht struikgewas mogelijk is. De borst en buik zijn lichter bruin tot beige, de rug donkerder met subtiele patronen. De staart is korter en bruin met bandering. De ooghuid is rood maar valer dan bij het mannetje. De snavel is grijsbruin, de poten roodachtig maar slanker en meestal zonder spoor, en de iris is bruin.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op het vrouwtje, met een matter bruin verenkleed en minder contrastrijke patronen. De borst en buik zijn vuilwit tot beige met fijne stipjes, de staart kort en eenvoudig gebandeerd. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleekrood en de iris zeer donker. Bij jonge mannetjes verschijnt tijdens de eerste rui geleidelijk de glanzend zwarte kleur en de langere kuif.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons met donkere lengtestrepen over rug en kop, een doeltreffend camouflagepatroon voor bodembroeders. De onderzijde is bleekgeel tot crème. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Geslachtsverschillen in verenkleed worden pas zichtbaar na de eerste rui.