Noordereilandtakahe

Porphyrio mantelli

Log in om deze soort toe te voegen

De Noordereilandtakahe (synoniem: Notornis mantelli) behoort tot het geslacht Porphyrio binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).

Deze inheemse Nieuw-Zeelandse vogel, in het Maori bekend als moho, kwam voor op het Noordereiland, waar fossielen zijn aangetroffen van Zeeland tot Northland. Hij leefde in een afwisselend landschap van grasland, struikgewas en bossen, van zeeniveau tot circa 1000 meter hoogte. Net als zijn nauwe verwant op het Zuidereiland was de moho een grote, niet-vliegende waterhoen, waarschijnlijk herbivoor en vooral actief in de open vegetatie. De soort stierf uit na intensieve bejaging door Maori en mogelijk door veranderingen in zijn leefgebied. Nu is hij alleen nog bekend uit archeologische vondsten en subfossielen.

Noordereilandtakahe
North Island Takahe
Nordinseltakahe
Tal�ve mohoau

Taxonomische indeling

Bird Order
Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
Bird Family
Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
Bird Genus
Porphyrio

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Rallen en koeten

Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.

  • Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
  • Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
  • Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
  • Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
  • Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Huisvestingsrichtlijnen Rallen Koeten

Man:
De man heeft een opvallend diepblauw verenkleed met een groene glans op de rug. De kop en nek zijn donkerder blauw, wat contrasteert met de lichtere borst. De vleugels tonen een subtiele paarse tint, vooral bij zonlicht. De snavel is robuust en helder rood, met een kleine rode was aan de basis. De poten zijn lang en roze, met een gladde textuur. De iris is oranje, omringd door een dunne rode oogring.

Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar blauw verenkleed, maar met een iets doffere uitstraling. De rug vertoont minder groene glans dan bij de man. De borst is iets lichter blauw, met een zachte overgang naar de buik. De snavel is iets slanker en eveneens rood, met een minder opvallende was. De poten zijn roze, maar iets korter dan die van de man. De iris is oranje, met een subtiele rode oogring.

Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met een blauwe zweem op de vleugels. De kop en nek zijn donkerder bruin, met een vage blauwe tint. De borst en buik zijn lichter bruin, zonder de glans van volwassen vogels. De snavel is dof rood, met een onopvallende was. De poten zijn grijsachtig roze, met een ruwe textuur. De iris is bruin, zonder duidelijke oogring.

Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zwart dons, wat een fluweelachtige uitstraling heeft. De snavel is klein en lichtgrijs, met een subtiele roze tint.

Bekijk ook:

  • Tijdschrift 165