Vogel
Okerdwergspecht
Okerdwergspecht
Picumnus limae
Log in om deze soort toe te voegenDe Okerdwergspecht behoort tot het geslacht Picumnus binnen de familie van Spechten (Picidae).
Deze kleine specht komt voor in het oostelijke deel van Brazili�, voornamelijk in caatinga en semi-decidu�fore bossen. De vogel is bruin tot okerkleurig van kleur en voedt zich met insecten die hij uit de schors haalt. Hij is vaak te vinden in dichte begroeiing en toont een schuw maar actief gedrag.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Picumnus
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallende roodachtige kruin met fijne zwarte stippen. Zijn nek en rug zijn olijfbruin met een subtiele glans. De vleugels tonen een mix van bruine en witte vlekken, wat een gespikkeld effect geeft. De borst is lichtgrijs met een geleidelijke overgang naar een wittere buik. De snavel is kort en zwart, met een lichte kromming aan de punt. De poten zijn grijs met een gladde textuur. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne, lichte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een bruinachtige kruin zonder de rode tinten van de man. Haar rug en nek zijn eveneens olijfbruin, maar met een matte afwerking. De vleugels vertonen een vergelijkbaar gespikkeld patroon als de man, maar met minder contrast. De borst is iets donkerder grijs, vloeiend overgaand naar een cr�mekleurige buik. De snavel is vergelijkbaar in vorm en kleur met die van de man. De poten zijn eveneens grijs, maar iets lichter van tint. De iris is donkerbruin, met een subtiele, bleke oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffere kruin met een mengeling van bruine en grijze tinten. Hun rug en nek zijn minder glanzend en vertonen een egalere bruine kleur. De vleugels zijn minder uitgesproken gespikkeld, met een meer uniforme bruine kleur. De borst is grijsachtig, met een vage overgang naar een bleke buik. De snavel is kort en grijs, met een minder uitgesproken kromming. De poten zijn lichtgrijs en hebben een iets ruwere textuur. De iris is donkerbruin, zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens hebben een uniforme, donzige grijze bedekking zonder duidelijke patronen. Hun snavel is kort en lichtgrijs.