Vogel
Olijfrugspecht
Olijfrugspecht
Colaptes rubiginosus
Log in om deze soort toe te voegenDe Olijfrugspecht behoort tot het geslacht Colaptes binnen de familie van Spechten (Picidae).
De goud-olijf-specht is een residente broedvogel die voorkomt van Mexico tot Guyana, noordwestelijk Argentini� en de Cara�ben. Deze vogel leeft in diverse habitats zoals bossen, open loofbossen en cultuurland. Vooral in bergachtige gebieden is deze soort talrijk aanwezig. De goud-olijf-specht is een insecteneter die zich voedt met insecten, zoals mieren en larven van kevers, en consumeert ook fruit en bessen. Het is een sociaal vogeltje dat vaak in de boomkruinen van secundaire bossen wordt aangetroffen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Spechtachtigen (Piciformes)
- Bird Family
- Spechten (Picidae)
- Bird Genus
- Colaptes
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Spechten
Spechten zijn boombewonende insecteneters die een actief en territoriaal gedrag vertonen. In de avicultuur vragen ze om goed beplante volières met veel klimmogelijkheden, natuurlijke stammen en nestgelegenheid om hun natuurlijke gedrag uit te oefenen. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruime volière (10–15 m² per koppel, ≥ 2,5–3 m hoog) met meerdere boomstammen of dikke takken om in te kloppen en foerageren; zachte houtsoorten zoals wilg of populier geschikt; deels beschutte zones en droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
- Klimaat: bestand tegen gematigde kou; tropische soorten vorstvrij bij >15 °C; goed geventileerd en droog verblijf voorkomt schimmelvorming.
- Sociaal: leven in paren; territoriaal – niet in groepen houden; tijdens broedperiode gevoelig voor verstoring; rust noodzakelijk.
- Voeding: insectenvoer of zachtvoer voor insecteneters; aanvullen met levende insecten (meelwormen, krekels, moriowormen) en boomlarven; af en toe noten, bessen en fruit; in kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers drink- en badwater.
- Overig: nestblokken of uitgeholde stammen (40–60 cm diep) noodzakelijk voor broedgedrag; regelmatig nieuwe takken aanbieden om klopgedrag te stimuleren; rustige, natuurlijke omgeving bevordert welzijn en broedsucces.
Man:
De man heeft een opvallend roestbruine kop met een lichte glans. De nek is iets donkerder, met subtiele zwarte vlekken. De borst toont een gele tint met fijne zwarte bandering. De buik is lichter, bijna cr�mekleurig, met een zachte overgang naar de flanken. Vleugels zijn donkerbruin met lichte randen, wat een versleten indruk kan geven. De snavel is recht en zwart, met een lichte wasachtige basis. De poten zijn grijs met een gladde structuur.
Vrouw:
De vrouw heeft een minder glanzende kop, met een meer gedempte roestbruine kleur. De nek is vergelijkbaar met de man, maar de vlekken zijn minder uitgesproken. De borst is lichtgeel met een subtiele bandering, minder contrasterend dan bij de man. De buik is cr�mekleurig, met een zachte overgang naar de flanken. Vleugels zijn donkerbruin met iets bredere lichte randen. De snavel is iets korter en donkergrijs, met een matte basis. De poten zijn grijs, met een iets ruwere textuur.
Juveniel:
Juvenielen hebben een doffere kopkleur, met een meer uniforme roestbruine tint. De nek is minder contrastrijk, met vage vlekken. De borst is lichtgeel, met een onregelmatige bandering die minder duidelijk is. De buik is cr�mekleurig, met een vage overgang naar de flanken. Vleugels zijn donkerbruin, met bredere en minder versleten lichte randen. De snavel is korter en donkergrijs, met een matte basis. De poten zijn grijs, met een gladde structuur.
Kuiken:
Kuikens hebben een uniforme, donzige, lichtbruine kleur over het hele lichaam. De snavel is kort en lichtgrijs.