Parelspoorhoen

Galloperdix lunulata

Log in om deze soort toe te voegen

De Parelspoorhoen behoort tot het geslacht Galloperdix binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogelsoort is voornamelijk te vinden in de beschutte gebieden van rotsachtige heuvels en droge bossen in centraal en zuidelijk India. Ze leven vaak in paren of kleine familiegroepjes en bevorzaken het ondergroei, waar ze zelden vliegen. Hun dieet bestaat uit bessen, insecten en bloemen. Ze zijn monogaam en maken eenvoudige nesten in de grond, waar alleen het vrouwtje de eieren uitbroedt.

Parelspoorhoen
Painted Spurfowl
Perlhuhn-Spornhuhn
Galloperdrix peint

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Galloperdix

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote frankolijnachtige fazant van circa 35�38 cm lengte. Het verenkleed is overwegend kastanjebruin met een karakteristieke lunulatie: fijne halvemaanvormige vlekken in wit en zwart over borst, flanken en rug. De kop is kastanjebruin met een donkere oogstreep; de keel is vuilwit, vaak subtiel afgelijnd door een donkere rand. De vleugels zijn donkerbruin met lichte vlekken, de staart kastanjebruin met donkere bandering. De snavel is grijs tot hoornkleurig, de poten rood tot oranjerood met goed ontwikkelde sporen, en de iris is donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is kleiner en minder contrastrijk. Haar verenkleed is matter bruin met fijnere en minder uitgesproken lunulatie. De keel is meer beige dan wit en de borst is lichter van tint. De snavel en poten zijn gelijk van kleur aan die van het mannetje, maar de poten zijn slanker en missen vaak duidelijke sporen. De iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen zijn meer uniform bruin en missen de uitgesproken halvemaanvormige vlekken. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met onregelmatige donkere stippen, de kop egaal bruin zonder duidelijke oogstreep. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Pas na de eerste rui worden de lunulatie en de rode poten zichtbaar.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met geelbruin dons voorzien van brede donkere lengtestrepen over rug en kop, wat goede camouflage biedt in het bos. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen lunulatiepatroon verschijnt pas na de eerste rui.