Roodkeelbospatrijs

Arborophila rufogularis

Log in om deze soort toe te voegen

De Roodkeelbospatrijs behoort tot het geslacht Arborophila binnen de familie van Hoenderachtigen (Phasianidae).

Deze vogel komt voor in bergbossen van Noordoost-India tot Vietnam, waar hij leeft in groepen van vijf tot tien individuen. Hij voedt zich met zaden, insecten en bessen en reageert op verstoring door te rennen of vliegen naar takken. De vogels roesten samen in bomen en broeden in het bos onder de beschutting van bamboe of struikgewas.

Roodkeelbospatrijs
Rufous-throated Partridge
Rotkehl-Buschwachtel
Torqu�ole � gorge rousse

Taxonomische indeling

Bird Order
Hoenderachtigen (Galliformes)
Bird Family
Fazantachtigen (Phasianidae)
Bird Genus
Arborophila

Ringmaat

Voor deze vogel is geen pootringmaat bekend, omdat de soort niet in de ringenlijst voorkomt. Dit kan komen doordat de vogel weinig of niet in de avicultuur wordt gehouden, of doordat er nog geen ervaring is met het ringen van deze soort.
Man 0.0 mm Vrouw 0.0 mm

Welzijnsadviezen

Hoenderachtigen

Hoenderachtigen omvatten een brede groep vogels zoals fazanten, pauwen, korhoenders, kwartels en patrijzen. Deze vogels worden in de avicultuur gehouden vanwege hun sierwaarde en gedragsrijkdom. Voor het welzijn van hoenderachtigen is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.

  • Huisvesting: ruime volière (15–25 m² per koppel, 2–2,5 m hoog) met gras, struiken of lage vegetatie; zitstokken of takken voorzien; droog, tochtvrij binnenverblijf bij kou of regen.
  • Klimaat: de meeste soorten winterhard; bescherming tegen regen, wind en vorst; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; schaduw nodig in de zomer.
  • Sociaal: houden volgens soortspecifieke structuur – kwartels/patrijzen in paren of groepen, fazanten in harems, pauwen in groepen met afstand tussen hanen; tijdens broedperiode apart huisvesten.
  • Voeding: volledig pluimvee- of fazantenvoer, aangevuld met zaden, granen, groenvoer, fruit en insecten; tijdens kweek extra dierlijk eiwit; altijd vers water en grit.
  • Overig: droge, goed gedraineerde bodem; visuele afscheiding tussen hanen; overbezetting vermijden om stress en verenpluk te voorkomen.
Huisvestingsrichtlijnen Hoenderachtigen

Man:
Het mannetje is een middelgrote bospatrijs van circa 26�28 cm lengte. De kop is opvallend getekend: de kruin en brede oogstreep zijn zwart, gescheiden door een lichte tot witte wenkbrauwstreep. De wangen en keel zijn kastanjebruin tot roodachtig, begrensd door een zwarte halsband. De borst is eveneens kastanjebruin, vloeiend overgaand in de vuilwitte tot beige buik. De flanken zijn grijs met fijne donkere schubjes. Rug en vleugels zijn bruin tot olijfbruin met zwarte en beige vlekjes en bandering, de staart is kort en donkerbruin. De snavel is zwart, de poten oranjerood en de iris donkerbruin.

Vrouw:
Het vrouwtje is iets kleiner en doffer van tint. De roodbruine keel en borst zijn lichter en minder contrastrijk, en de zwarte halsband is smaller of onduidelijker. De rug is matter bruin en de buik meer beige. De snavel is grijszwart, de poten roodachtig maar vaak valer dan bij het mannetje, en de iris is bruin.

Juveniel:
Juvenielen zijn meer uniform bruin en missen de contrasterende roodbruine keel en de brede zwarte halsband. De borst en buik zijn beige tot lichtbruin met kleine donkere stipjes. De rug is zandbruin met subtiele lichte randen. De snavel is donkergrijs, de poten vleeskleurig tot bleek oranje en de iris zeer donker. Bij de eerste rui verschijnen de kastanjebruine keel en borst van jonge hanen.

Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht geelbruin dons met donkere lengtestrepen over rug en kop, wat uitstekende camouflage biedt in hun bosrijke leefgebied. De onderzijde is bleekgeel tot cr�me. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Het volwassen kop- en borstpatroon verschijnt pas na de eerste rui.