Vogel
Roodpootgent
Roodpootgent
Sula sula
Log in om deze soort toe te voegenDe Roodpootgent behoort tot het geslacht Sula binnen de familie van Jan Van Genten (Sulidae).
Deze tropische zeevogel is te vinden op eilanden van de Cara�ben tot de Stille en Indische Oceaan en broedt vooral in struiken en bomen op koraalatollen of vulkanische eilanden. Hij leeft vooral op zee, vliegt sierlijk en eet vliegende vissen en andere kleine zeedieren door spectaculaire duikvluchten te maken vanaf grote hoogte. Deze dieren zijn standvogels, vormen grote kolonies op hun broedplaatsen en gebruiken de zee als hun belangrijkste leefgebied.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Slangenhalsvogels, Fregatvogels, Aalscholvers en Janvangenten (Suliformes)
- Bird Family
- Genten (Sulidae)
- Bird Genus
- Sula
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Jan Van Genten
Jan-van-Genten zijn grote zeevogels die leven langs kusten en eilanden, waar ze jagen op vis door spectaculaire duikvluchten. Ze zijn koloniebroeders die nestelen op kliffen of vlakke eilanden. In de avicultuur hebben ze behoefte aan ruime verblijven met open water, rotsachtige rustplaatsen en bescherming tegen harde wind. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver of bassin (80–100 m² per koppel); waterdiepte 50–100 cm; landgedeelte met rotsen of platforms; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: gematigd tot subtropisch; temperatuur 5–25 °C; bij vorst of langdurige regen beschut binnenhok; schaduw en frisse lucht belangrijk.
- Sociaal: kolonievormend; in kleine groepen houden; tijdens broedtijd territoriaal rond nest; ruime zichtlijnen verminderen agressie.
- Voeding: kleine vissoorten zoals sprot, haring of ansjovis; vis vers of ontdooid voeren; vitaminen en mineralen toevoegen; voer in of bij het water aanbieden.
- Overig: zout- of brakwateromgeving bevordert verenkleed; dagelijkse controle van waterkwaliteit; broedplekken op klifachtige structuren of verhoogde zones; rustige ligging bevordert welzijn.
Man:
De man heeft een helder wit verenkleed met een opvallende rode snavel. De kop en nek zijn egaal wit, zonder enige markeringen. De vleugels zijn donkerder aan de bovenzijde, met een subtiele glans. De staart is kort en wit, met een lichte grijze tint aan de uiteinden. De poten zijn felrood, wat contrasteert met het witte lichaam. De iris is lichtblauw, omringd door een dunne, donkere oogring. De borst en buik zijn uniform wit, zonder enige vlekken of strepen.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar wit verenkleed als de man, maar met een iets doffere tint. De snavel is ook rood, maar iets minder fel dan bij de man. De vleugels hebben een meer uitgesproken donkere rand, wat zorgt voor een duidelijker contrast. De poten zijn rood, maar met een iets lichtere tint dan die van de man. De iris is blauw, met een iets bredere oogring dan bij de man. De staart is wit, met een subtiele grijze schaduw aan de randen. De borst en buik zijn egaal wit, zonder zichtbare markeringen.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend bruin verenkleed met lichtere vlekken op de vleugels. De kop en nek zijn donkerder bruin, met een lichte streep over de ogen. De snavel is grijsachtig, met een gele basis die na verloop van tijd roder wordt. De poten zijn bleekroze, wat contrasteert met het donkere verenkleed. De iris is donkerbruin, zonder opvallende oogring. De staart is kort en bruin, met lichtere uiteinden. De borst en buik zijn lichter bruin, met een vage streping.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een pluizig, wit dons dat na verloop van tijd donkerder wordt. De snavel is grijs en de poten zijn bleekroze.