Vogel
Roodsnavelkeerkringvogel
Roodsnavelkeerkringvogel
Phaethon aethereus
Log in om deze soort toe te voegenDe Roodsnavelkeerkringvogel behoort tot het geslacht Phaethon binnen de familie van Jan Van Genten (Phaethontidae).
Deze zeevogel leeft verspreid over tropische oceanen van Atlantisch, Pacifisch en Indisch gebied, met broedplekken op eilanden zoals de Gal�pagos en Kaapverdi�. Hij nestelt op rotsachtige kliffen en jaagt op kleine vis in open zee. Deze sterke vlieger kan snelheden tot 44 km/u halen en rust vooral op het water, waarbij hij moeilijk aan land loopt en opstijgt.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Keerkringvogels (Phaethontiformes)
- Bird Family
- Keerkringvogels (Phaethontidae)
- Bird Genus
- Phaethon
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Keerkringvogels
Keerkringvogels zijn elegante zeevogels die leven op tropische eilanden en open oceaangebieden. Ze duiken naar vis en inktvis en nestelen op rotsige kliffen of zandige eilandhellingen. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met open water, hoge rustplaatsen en een warm, stabiel klimaat. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf met waterpartij en rotsachtige landzone (70–100 m² per koppel); waterdiepte 40–80 cm; verhoogde rustplaatsen; binnenverblijf ± 3–4 m² per vogel, droog en goed geventileerd.
- Klimaat: tropisch; temperatuur 22–30 °C; bij < 18 °C verwarmd binnenhok; luchtvochtigheid 60–80%; bescherming tegen wind en vochtige tocht.
- Sociaal: kolonievogels; te houden in kleine groep of koppel; territoriaal tijdens broedperiode; hoogteverschillen en ruimte verminderen stress.
- Voeding: kleine vis en inktvis; verse of ontdooide vis (sprot, spiering, ansjovis); voer in of bij het water aanbieden; altijd schoon drink- en badwater beschikbaar.
- Overig: nestplekken op verhoogde platforms of in rotsnissen; zout of brak water bevordert verenkleedconditie; dagelijkse watercontrole en rustige ligging essentieel.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
De man heeft een helder wit verenkleed met een zijdeachtige glans. De lange, smalle staartveren zijn opvallend rood. De vleugels vertonen een scherp contrast met zwarte primaire veren. De kop is wit met een subtiele zwarte oogstreep. De snavel is felrood en licht gebogen. De poten zijn donkergrijs en onopvallend. De iris is donkerbruin, omringd door een dunne zwarte oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een vergelijkbaar wit verenkleed, maar met een iets doffere glans. De staartveren zijn korter en minder intens rood dan bij de man. De vleugels hebben dezelfde zwarte accenten, maar zijn iets minder contrastrijk. De kop heeft een vergelijkbare zwarte oogstreep, maar iets minder uitgesproken. De snavel is rood, maar iets minder fel dan bij de man. De poten zijn eveneens donkergrijs. De iris is donkerbruin met een subtiele zwarte oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een overwegend wit verenkleed met grijze tinten op de rug en vleugels. De staartveren zijn kort en missen de rode kleur van volwassenen. De vleugels hebben een minder scherp contrast met grijze in plaats van zwarte accenten. De kop is wit met een vage grijze oogstreep. De snavel is dof oranje en recht. De poten zijn lichtgrijs en minder robuust. De iris is donkerbruin zonder duidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een pluizig wit dons. De snavel is klein en bleekgeel van kleur.