Vogel
Rosse grutto
Rosse grutto
Limosa lapponica
Log in om deze soort toe te voegenDe Rosse grutto behoort tot het geslacht Limosa uit de familie van Strandlopers en Snippen (Scolopacidae).
Deze weidelaagvogel broedt in de toendra en schrale kustgebieden van Scandinavi�, Siberi� en Alaska en overwintert langs kustlijnen en wadplaten van Europa tot Australi� en Zuidoost-Azi�. Tijdens de trek legt hij indrukwekkende non-stop vluchten af en voedt zich met bodemdieren als weekdieren en wormen door met zijn lange, opwaarts gebogen snavel te scheppen.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Steltloperachtigen (Charadriiformes)
- Bird Family
- Strandlopers en snippen (Scolopacidae)
- Bird Genus
- Limosa
Ringmaat
Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mmWelzijnsadviezen
Snippen, strandlopers, ruiters, wulpen, grutto's
De Scolopacidae vormen een diverse groep steltlopers die in de natuur leven langs kusten, oevers en moerassen. In de avicultuur vragen ze om ruime, rustige verblijven met ondiep water, zachte bodem en veel gelegenheid tot foerageren en rusten. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: ruim buitenverblijf (50–80 m² per paar) met ondiep water (5–20 cm diep) en zachte modderige bodem; helft van het verblijf water, helft gras- of zandzones met lage vegetatie en open plekken; stenen of wortels als rustplaatsen; binnenverblijf ± 4 m² per paar bij kou of regen.
- Klimaat: goed koudetolerant; jaarrond buiten te houden met ijsvrij water en beschutting; tropische soorten vorstvrij bij >10 °C; goed geventileerd en beschut tegen wind en regen.
- Sociaal: leven in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – ruime verblijven voorkomen conflicten; buiten broedtijd groepshuisvesting mogelijk bij voldoende ruimte.
- Voeding: insecten, wormen, larven, kreeftachtigen en watervogelpellets; levend voer (meelwormen, muggenlarven) stimuleert foerageergedrag; tijdens kweek extra dierlijk eiwit en vitaminen; altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit en bodemhygiëne essentieel; zachte, goed gedraineerde bodem voorkomt pootproblemen; rustige, natuurlijke omgeving met terreinvariatie bevordert welzijn en broedsucces.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is een forse steltloper van circa 37�41 cm lengte, met een lange, rechte snavel die naar de punt toe licht opgewipt is. In broedkleed zijn kop, hals, borst en buik warm baksteenrood tot kastanjebruin, vaak met donkere vlekjes op de flanken. De rug en vleugels zijn donkerbruin met lichtere randen, waardoor een geschubd patroon ontstaat. In vlucht valt de effen donkere bovenvleugel op, zonder witte vleugelstreep, en een lichtgrijze stuit die contrasteert met de zwarte staartband. De snavel is roze tot oranje aan de basis en donker aan de punt. De poten zijn donkergrijs tot zwart. De iris is donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is iets groter dan het mannetje, met een langere snavel. Haar broedkleed is doorgaans bleker rood of meer oranjebruin en de buik toont vaker lichte delen, waardoor het kleed minder egaal oogt.
Juveniel:
Juvenielen hebben een grijzer verenkleed met brede, zandkleurige randen aan de rugveren, wat een fijn geschubd patroon oplevert. De borst is lichtbeige met fijne donkere vlekjes, de buik vuilwit. De snavel is korter en grijzer bij de basis, de poten lichter grijsgroen.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met zacht dons, geelbruin tot zandkleurig met donkere rugstrepen die uitstekende camouflage bieden in arctische broedgebieden. De onderzijde is vuilwit. De snavel is kort en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de ogen donker. Het warme baksteenrode broedkleed verschijnt pas tijdens de eerste volwassen rui.