Vogel
Rozehalsvruchtenduif
Rozehalsvruchtenduif
Ptilinopus porphyreus
Log in om deze soort toe te voegenDe Rozehalsvruchtenduif behoort tot het geslacht Ptilinopus uit de familie van duiven (Columbidae)
.
Deze kleine, bonte duif is endemisch voor de bergbossen van Indonesië; hij komt voor op Sumatra, Java en Bali, meestal op hoogtes tussen 1000 en 2200 meter boven zeeniveau. Hij leeft vooral solitair of per paar, maar verzamelt zich soms in kleine groepen bij vruchtdragende bomen. Als echte fruiteter voedt hij zich voornamelijk met bessen en kleine vruchten. Het is een schuwe, onopvallende vogel die een los nest bouwt in een boom, waar één of soms twee witte eieren worden gelegd.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Duiven (Columbiformes)
- Bird Family
- Duiven (Columbidae)
- Bird Genus
- Ptilinopus
Ringmaat
Man 7.0 mm Vrouw 7.0 mmWelzijnsadviezen
Duiven
Voor het welzijn van duiven is een passende leefomgeving wenselijk. Hieronder staan de belangrijkste aandachtspunten die kunnen bijdragen aan een goede verzorging en huisvesting. Het gaat daarbij vooral om aandacht voor ruimte, voeding en sociaal gedrag. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Ruimte: per koppel wordt ongeveer 1,6–5 m² geadviseerd, afhankelijk van soort en grootte. Voor volières wordt ongeveer 3 m² en 1,8 m hoogte aangeraden.
- Klimaat: zorg bij voorkeur voor beschutting tegen weer en wind. Tropische soorten hebben baat bij een vorstvrij verblijf (minimaal 15 °C).
- Sociaal: duiven voelen zich prettiger in gezelschap; het is daarom aan te bevelen ze ten minste in paren te houden. Tijdens het broedseizoen helpt het om nestgelegenheid en nestmateriaal aan te bieden.
- Volière/uitloop: zitstokken op verschillende hoogten en een wekelijkse badgelegenheid dragen bij aan het welzijn van de dieren.
- Voeding: kies voor graan- en zadenmengsels afgestemd op de soort. Voor fruitduiven zijn fruit en bessen een goede basis. Zorg daarnaast altijd voor grit en vers drinkwater.
Man:
Het mannetje is een middelgrote vruchtenduif van circa 20-22 cm lengte met een opvallend bont verenkleed. De kop en nek zijn lichtgrijs tot blauwgrijs. De borst is helder paarsrood, scherp contrasterend met de witachtige keel en buik. De rug en vleugels zijn donkergroen met een zijdeachtige glans, soms met een bronzen zweem op de schouderveren. De onderstaartdekveren zijn geelachtig, vaak met een oranje tint. De staart is kort en afgerond, groen van boven en lichtgrijs van onder met een donkere eindband. De snavel is geelgroen met een lichtere punt, de poten rood, en de iris oranjerood.
Vrouw:
Het vrouwtje mist meestal de intens heldere paarse borst en is overwegend groener. De borst is vuilwit tot grijsgroen, met slechts een zwakke paarse zweem of zonder duidelijke kleur. De rug en vleugels zijn matter groen en minder glanzend. De snavel, poten en iris zijn gelijk aan die van het mannetje.
Juveniel:
Juvenielen zijn uniform groen en missen de paarse borst en contrasterende buik. De vleugels hebben brede lichte randen, wat een geschubd patroon geeft. De onderzijde is groengeel tot vuilwit. De snavel is grijsgroen, de poten vleeskleurig tot roodachtig, en de iris donker. Bij jonge mannetjes verschijnt de paarsrode borst pas na de eerste rui.
Kuiken:
De kuikens zijn bedekt met zacht, grijsgelig dons. De snavel is klein en donkergrijs, de poten vleeskleurig en de iris zwartbruin. Kort na het uitvliegen verschijnen de eerste groene veren; de contrasterende paarse borst ontwikkelt zich pas later bij mannetjes.