Vogel
San-Cristobalwaterhoen
San-Cristobalwaterhoen
Gallinula silvestris
Log in om deze soort toe te voegenDe San-Cristobalwaterhoen behoort tot het geslacht Gallinula binnen de familie van Rallen, koeten (Rallidae).
Deze bijzondere vogel is endemisch in de Solomonseilanden en leeft in subtropische of tropische vochtige laaglandbossen en montane bossen. Het is een zeldzame soort die ernstig wordt bedreigd door habitatverlies en predatie door verwilderde katten. Sinds 1953 is er geen waarneming meer van deze vogel, wat zijn mogelijke uitsterven vermoedt. Zijn natuurlijke habitats zijn ideaal voor een Solomonecologisch evenwicht, met een delicate balans tussen vochtige omgevingen en het behoud van een natuurgebied.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Kraanvogelachtigen (Gruiformes)
- Bird Family
- Rallen, hoentjes en koeten (Rallidae)
- Bird Genus
- Gallinula
Ringmaat
Welzijnsadviezen
Rallen en koeten
Rallen en koeten zijn overwegend moerasvogels die leven in waterrijke gebieden met dichte oeverbegroeiing. In de avicultuur vragen ze om rustige, goed beplante verblijven met voldoende water, dekking en mogelijkheden tot natuurlijk foerageer- en nestgedrag. De volgende welzijnsadviezen zijn gebaseerd op beschikbare literatuur en wetenschappelijk onderzoek. Deze adviezen zijn niet door ons opgesteld, maar worden in de vakliteratuur genoemd als onderbouwing voor goede welzijnspraktijken. Ze dienen als externe referentie en aanvulling op praktijkervaring.
- Huisvesting: buitenverblijf met open water (30–50 m² per paar, 0,5–1,5 m diep) en dichte oeverbegroeiing (riet, lisdodde, grassen); landgedeelte ± 10–15 m² per paar; drijvende of half drijvende platforms als rust- of nestplaatsen.
- Klimaat: goed koudetolerant; buiten overwinteren op ijsvrij water; tropische soorten vorstvrij verblijf met water (>10 °C); beschutting tegen wind en regen aanbevolen.
- Sociaal: houden in paren of kleine groepen; tijdens broedperiode territoriaal – visuele afscheiding of aparte verblijven wenselijk; rustige omgeving voorkomt stress.
- Voeding: watervogelpellets of omnivoor watervogelvoer; aanvullen met insecten, wormen, zaden en waterplanten; in kweek extra dierlijk eiwit (meelwormen, garnalen); altijd schoon zwem- en drinkwater.
- Overig: uitstekende waterkwaliteit door filtratie of doorstroming; dichte begroeiing en schuilplekken essentieel; scherpe randen en drijfafval vermijden.
Man:
De man heeft een glanzend zwart verenkleed op de kop en nek. De borst en buik zijn donkergrijs met een subtiele blauwe tint. De vleugels tonen een lichte bruine schijn met versleten randen. De dekveren zijn donker met een lichte, bijna onzichtbare bandering. De snavel is felrood met een gele punt en een opvallende was. De poten zijn olijfgroen met een lichte schubstructuur. De iris is roodbruin met een dunne, onopvallende oogring.
Vrouw:
De vrouw heeft een doffer zwart verenkleed op de kop en nek. De borst en buik zijn grijs met een bruine ondertoon. De vleugels zijn donkerbruin met een lichte, versleten rand. De dekveren vertonen een subtiele, onregelmatige vlekkenpatroon. De snavel is minder felrood dan bij de man, met een gele punt. De poten zijn grijsgroen met een fijne schubstructuur. De iris is donkerbruin met een nauwelijks zichtbare oogring.
Juveniel:
Juvenielen hebben een matbruin verenkleed met een lichtere buik. De kop en nek zijn egaal bruin zonder glans. De vleugels zijn donkerbruin met een lichte, versleten rand. De dekveren hebben een onregelmatige, lichte bandering. De snavel is dofgeel met een onopvallende was. De poten zijn lichtgrijs met een gladde structuur. De iris is grijsbruin met een onduidelijke oogring.
Kuiken:
Kuikens zijn bedekt met een donzig, zwart verenkleed. De snavel is geel met een donkere punt.