Vogel
Smient
Smient
Mareca penelope
Log in om deze soort toe te voegenDe Smient (Synoniem: Europese smient) behoort tot het geslacht Mareca binnen de familie van eenden, ganzen en zwanen (Anatidae).
De smient is een opvallende eendensoort die vooral bekendstaat als wintergast in Nederland, waar grote aantallen vanuit Scandinavi� en Siberi� neerstrijken op weilanden en open wateren zoals de Waddenzee en randmeren. In de zomer broedt de vogel in het hoge noorden, maar in Nederland komt slechts een kleine broedpopulatie voor. Smienten zijn echte graseters, die vooral �s nachts op weilanden grazen en overdag op het water rusten. Ze leven in grote groepen, zijn gevoelig voor verstoring en hebben een voorkeur voor ondiepe, beschutte wateren en natte graslanden. Hun aantallen nemen langzaam af, mede door verminderd broedsucces en verstoring door recreatie.
Taxonomische indeling
- Bird Order
- Eendachtigen (Anseriformes)
- Bird Family
- Eenden, ganzen en zwanen (Anatidae)
- Bird Genus
- Mareca
Ringmaat
Man 9.0 mm Vrouw 9.0 mmWelzijnsadviezen
Watervogels
Watervogels omvat een grote verscheidenheid aan watervogels, van kleine talingen tot grote zwanen. In de avicultuur vragen zij om ruime verblijven met water, graszones en beschutting. Ze bewonen uiteenlopende waterrijke gebieden en zijn uitstekend aangepast aan een leven op en rond het water. In de avicultuur vragen ze om ruime verblijven met voldoende zwemwater, zachte oevers en mogelijkheden om te grazen of foerageren. De inrichting en grootte van het verblijf hangen sterk af van de lichaamsgrootte en het gedrag van de soort. De volgende welzijnsadviezen worden door ons aanbevolen en zijn samengesteld op basis van meerdere betrouwbare bronnen. Daarbij hanteert Aviornis eigen welzijnsadviezen, die zijn opgesteld door een Aviornis deskundigenpanel en gebaseerd zijn op specialistische kennis en praktijkervaring binnen de vereniging.
- Huisvesting: buitenverblijf met vijver en landgedeelte ca. 4–6 m² per klein paar (bijv. talingen) tot 15-20m² per groot paar (bijv. zwanen of grote ganzen); ondiepe en diepe zones; zachte oevers; binnenverblijf ± 2 m² per klein paar tot 6–10 m² per groot paar, droog en tochtvrij.
- Klimaat: gematigd tot tropisch afhankelijk van soort; tropische soorten bij < 15 °C naar verwarmd binnenhok; schaduw en drainage belangrijk.
- Sociaal: groepsdieren; te houden in kolonie of kleine groep; territoriaal tijdens broedperiode – voldoende ruimte voorkomt conflicten.
- Voeding: watervogelvoer, granen, groenvoer en insecten afhankelijk van soort; dagelijks vers water beschikbaar voor foerageren en poetsen.
- Overig: waterkwaliteit handhaven via doorstroming of verversing; nestgelegenheid in beschutte zones; rustige ligging en hygiëne essentieel voor welzijn.
Wetgeving(en)
Europese soort (EG richtlijn)
Deze vogel behoort tot een beschermde Europese soort onder de Vogelrichtlijn. Dit betekent dat het verboden is om exemplaren uit de natuur te vangen, te verstoren of te houden. Alleen vogels die aantoonbaar in gevangenschap zijn gekweekt mogen in avicultuur worden gehouden. Voor deze vogels is het noodzakelijk dat er geldge herkomstbewijzen of kweekverklaringen aanwezig zijn, zodat altijd kan worden aangetoond dat de vogel legaal is verkregen.
De belangrijkste vereisten zijn:
- Verbod op het vangen en houden van inheemse wilde vogels.
- Alleen aantoonbaar gekweekte vogels mogen worden gehouden.
- Voorzien van een gesloten pootring of een microchip
- Legale herkomst moet altijd met bewijsstukken (bijv. kweekverklaring) kunnen worden aangetoond.
Man:
Het mannetje is goed herkenbaar aan zijn kastanjebruine kop met een cr�mekleurige tot gele kruinstreep. De borst is rozeachtig, de flanken zijn lichtgrijs en de buik wit. De rug is donkergrijs met fijne bandering, de stuit en onderstaart zijn zwart. De vleugels hebben een opvallende witte bovenvleugel en een iriserend groene speculum. De snavel is blauwgrijs met een zwarte punt, de poten zijn grijs en de iris donkerbruin.
Vrouw:
Het vrouwtje is overwegend bruin met een fijne vlekken- en streeptekening, vari�rend van warm roodbruin tot grijzer bij sommige individuen. De kop is egaal bruin met een subtiele lichtere oogring. De vleugels hebben een groene speculum, minder contrastrijk omlijst. De snavel is grijzer met een donkere punt, de poten zijn grijs en de iris donker.
Juveniel:
Juvenielen lijken sterk op vrouwtjes, maar zijn egaler bruin en grijzer van toon, met een minder uitgesproken patroon op de borst en flanken. Jonge mannetjes beginnen in hun eerste winter de roze borst en kastanjebruine kop te ontwikkelen. De snavel is grijs, de poten vleeskleurig tot grauw en de iris donker.
Kuiken:
De kuikens zijn donkerbruin donsachtig aan de bovenzijde en geelachtig tot vuilwit aan de onderzijde. Ze hebben een donkere kruinstreep en rugstrepen, met lichtere wangen en een lichte kinvlek. De snavel is klein en grijs, de poten vleeskleurig en de iris donker.